Still Going Strong Cricket Club

Verhalen uit "De Oude Doos" (op verzoek is het lettertype sterk vergroot !)


De Oude Doos
     sublinks ►

Jan Nefkens
zie ook de reacties
hierop van EP
Rob de Haas Ton Balk Ernst Offerman Theo Offerman Geni Pino -
Willy van Nierop
Ben Teeuwisse
deel 1  |  deel 2 | deel 3

VRAAG VAN ONZE VOORZITTER

Wij hebben gelukkig nogal wat positieve reacties en vooral bijdragen ontvangen voor deze nieuwe rubriek op onze site.
Nu is het even stil en spreek ik de hoop uit dat er spoedig stukjes/artikelen/bijdragen van onze (vooral oudere) leden zullen verschijnen.
Wie is de volgende SGS'er die een stuk(je) geschiedenis schrijft ? Wie klimt er in de pen of gaat er eens voor achter de PC zitten?

Ik ben benieuwd.

Duco Ohm - 18.4.2012


Nog meer uit de oude doos van Ben Teeuwisse (15.03.2012)

Links: Ben op de foto te midden van ‘zijn’ Hippo vrinden.
De foto opent groot door erop te klikken en kan worden gedownload

Als je eenmaal begint te woelen in het oude brein, komen er aldoor nieuwe herinneringen op. Ook mijn regelmatige, telefonische contact met de door Rob de Haas al genoemde VVV-er Lex Bouwes helpt daarbij. Met Lex zat ik destijds in het bestuur van de ACB. Toen ik in 1960 naar Eindhoven verhuisde ontdekte ik dat hij daar al woonde. Sindsdien zijn wij in contact gebleven, zij het nu door telefoon en
e-mail.
---------------------------------------------------------------------------------------------

Als je een maal bezig bent over het verleden dan kijk je vooral naar de verschillen tussen toen en nu. Toen mijn gedachten terug gingen naar de eerste oorlogsjaren, kwam ik op enkele wedstrijden tegen Rood en Wit. We reisden niet per openbaar vervoer, maar op de fiets. We speelden niet alleen in De Hout, tijdens het jubileum van Rood en Wit waar ik eerder over geschreven heb, maar ook een keer in Bloemendaal. We konden toen om een of andere reden niet op het aloude terrein van de Koninklijke HFC terecht. Tegenwoordig is er ander transport beschikbaar. Het leek mij wel interessant voor de lezers van nu dit te vermelden.
---------------------------------------------------------------------------------------------------------------------

De eerste tweedaagse
Het moet in 1946 geweest zijn dat wij, met het jonge CrIC, dat zijn intrede had gedaan in de zondagcompetitie van de toen nog NCB, onze vleugels zogezegd uitsloegen. Ondernemend als we waren, hadden wij een tweedaagse afgesproken met Kampong We zouden op de eerste dag (door de week) spelen tegen het Utrechts Jeugdelftal en de volgende dag tegen Kampong.
Er was ons verzekerd dat er voor slaapgelegenheid zou worden gezorgd. Toch bleef het wel een avontuur: we moesten niet alleen iets van nachtkleding maar ook van voedsel voor die dagen meenemen. De bag moest trouwens ook mee! Er was toen nog veel op de bon en behalve op thee hoefden wij, wat consumpties of eten betreft, op niet veel te rekenen. Ik denk dat er destijds geen winkels, laat staat supermarkten erg dicht bij het veld te vinden waren. Trouwens, supermarkten bestonden toen niet eens.
Na de wedstrijd tegen de jeugd van Utrecht, die we wonnen, werd ons een kleedlokaal aangewezen. Daar aangekomen bleek ons bedje gespreid: er was rijkelijk stro gespreid! Bovendien was er water (warm (?) en koud ). Het was niet wat we verwacht hadden , maar kennelijk waren we destijds meer aan ontberingen gewend dan thans. Van de junioren wonnen wij, de uitslag van de dag erna weet ik niet meer, maar ik herinner mij wel dat een ouder (dan wij tenminste) Kamponglid ons uit mededogen, met zijn auto naar het station bracht. Achteraf bezien denk ik dat het Gerard Eijkelboom moet zijn geweest.

Eén keer heb ik meegespeeld in het Flamingo Juniorentornooi 1941 en wel in het VVV-team. CrIC zou pas later gaan deelnemen. Na mijn eindexamen in dat jaar zou ik toch naar VVV gaan. De aanvoerder van dat team was Pim Tholen, zoon van de gelijknamige cabaretier. die met ene Van Lier een populair duo vormde.
Op zeker ogenblik nam Pim de bal ter hand. en hij zette mij ergens tussen mid-on en silly mid-on. De man aan bat was een geduchte hitter, zoals we merkten. En zeker ik merkte dat want al gauw kwam er een raket hoofdhoog langs mij.. Natuurlijk stak ik mijn linker hand uit. De bal was te hard om te vangen - ik was al blij dat mijn hand er nog aan zat – maar, o wondert!, de bal sprong van mijn hand in een boogje naar de bowler. Hij hoefde geen stap te verzetten…Helaas, hij was zo verbouwereerd dat de bal uit zijn vingers glipte….
---------------------------------------------------------------------------------------------------------------------

In 1941 werd ik voor het eerst uitgenodigd voor het Amsterdams-Utrechtse jeugdelftal dat in Bilthoven zou aantreden tegen Rotterdam-Schiedam. In het bericht stond dat de reiskosten zouden worden betaald. We verzamelden in het Amstelstation. Tot mijn schrik bleek daar dat ik zelf een kaartje moest kopen. Nu had ik maar heel weinig geld bij mij, niet genoeg voor een kaartje. Gelukkig was Cees Slagter daar en hij leende mij het geld.
Rotterdam-Schiedam ging eerst aan bat en kwam tot 112 runs.
Een Utrechtse speler was captain en hij ging, in overleg met enkele Utrechters en Amsterdammers de order of going in invullen. Ik was voor de Utrechtenaren een volkomen onbekende, want ik had daarvoor alleen maar in de ACB-jeugdcompetitie gespeeld, terwijl Wally van Weelde en Cees Slagter al bekendheid genoten.
Toen de eerste vier of vijf plaatsen waren ingevuld, dacht ik dat ik wel aan de beurt zou komen, maar dat leek niet te gebeuren. Wel hoorde ik de captain met Wally en Cees discussiëren. Dank zij die twee sterren mocht ik als nummer 7 in en niet als 10 0f 11 zoals de captain van plan leek..
Ik was teleurgesteld, maar ook extra gemotiveerd: ik zou wel eens laten zien wat ik kon.
Daarvoor kreeg ik de kans. Met de score tegen de 90 ging ik in. Wally had dat aantal bijna helemaal alleen op zijn naam. De nummers 8, 9 en 10 vielen snel en daar verscheen nummer 11.
Die nummer elf was de latere voortreffelijke wicketkeeper en batsman van HTCC en het Nederlands Elftal, Robby Colthoff. Hij was pas veertien jaar maar te elfder ure opgetrommeld omdat hij vlak bij het veld woonde. Een Utrechter bleek namelijk ziek of plotseling niet beschikbaar te zijn.
Robby toonde absoluut geen angst en sloeg al gauw een 4. Om kort te gaan, we gingen gestaag door en passeerden het totaal van Rotterdam-Schiedam. We mochten zelfs doorspelen tot 131. Robby ging uit met 14 uitstekende runs op zijn naam. Ik keek vanaf dat ogenblik waarschijnlijk enigszins vanuit de hoogte naar de Utrechters.
De zondag daarop moest ik aantreden bij VVV. Anton van Stuivenberg wist dat ik in Utrecht meegespeeld had. “Jullie hebben gewonnen, hoorde ik.”vroeg hij. “Wat heb jij gemaakt?”  “22 Not out,” zei ik. ”Meer niet?” was zijn commentaar.
Dat jaar speelden we met een Haarlems-Amsterdams jeugdelftal tegen een bondselftal. De overs telden toen 8 ballen.
Helaas voor ons was de eerste bowler niemand minder dan Broer Sodderland, een van de allerbeste bowlers toen. Met de eerste bal van de tweede over viel het eerste wicket. Met de achtste bal van die over viel nummer 3. Dat was ik.
Sodderland werd gauw daarna afgezet om de jeugd niet verder te ontmoedigen.
---------------------------------------------------------------------------------------------------------------------

Van 1965 tot en met 1973 werd de Knock Out competitie gespeeld, een toernooi vergelijkbaar met het bekervoetbal van de KNVB. Het waren wedstrijden van 40 overs waarbij bowlers niet meer dan 9 overs mochten bowlen. Je kon het treffen met je tegenstanders, maar er ook met de eerste wedstrijd uitgeknikkerd worden. HTCC trof in de derde ronde U.D., een club die je normaal niet gauw in jouw klas zou treffen. Bij de lagere klassen waren de afstanden tussen de clubs meestal beperkt gehouden. U.D. was dus een aparte belevenis. Nu luidt de kreet Çatches win matches’, maar in deze wedstrijd had het weleens heel anders kunnen gaan.
Het openingspaar van U.D. was zeer taai. De twee starters waren zeer, zeer degelijk en namen geen enkel risico. Dat ging over na over, zonder dat het totaal noemenswaard steeg
Natuurlijk kon dat niet zo doorgaan. Dat beseften de batsmen ook en een van hen waagde zich eindelijk aan een enorme klap richting mid on. Toevallig stond ik daar en hoe vreemd dat ook mag lijken, ik in een flits dacht ik de catch te moeten missen. Maar je laat een catch niet met opzet vallen, zeker geen betrekkelijk makkelijke. Meteen na de vang vroeg ik dan ook aan mijn medespelers of ik de bal wel had moeten vangen.
“Onzin,” was het commentaar. Het was “well caught” en je moest nooit een catch bewust laten vallen. Helaas, helaas, de volgende batsman was een zekere S. Lubbers en er waren ook andere UD-ers die het hout deskundig konden hanteren, met alle gevolgen van dien.
Had ik die bal dan toch moeten laten vallen?
---------------------------------------------------------------------------------------------------------------------

Zoals bekend hebben de Engelsen in de loop der eeuwen de halve wereld veroverd, meestal gemeen, maar ze vonden het zelf best. Vandaar het ‘Gemenebest’?
Onbewust heb ze er wel voor gezorgd dat ze thans een heleboel tegenstanders op het niveau
van hun cricketteam hebben. Met de verspreiding van sport hebben ze tevens het wedden, een Britse hartstocht, verspreid met kwalijke praktijken als gevolg. Je schijnt hier en daar te kunnen wenden op: “de zesde bal zal een ‘no ball’” zijn of iets dergelijks.
Eens heb ik een andere weddenschap horen aangaan: een oudere speler zei, vόόr de wedstrijd, tegen een clubgenoot: “Wedden dat we verliezen. Ik zet een tientje? Het voorstel werd verontwaardigd afgewezen, hoe kon je willen verdienen door verlies van je eigen club?
De man in kwestie legde het mij later uit: “Het is me best een tientje waard als we winnen. Verliezen we, dan heb wat om mijn verdriet te verdrinken!.”
---------------------------------------------------------------------------------------------------------------------

HTCC had destijds goede banden met MOP en het was waarschijnlijk daaraan te danken dat ik twee keer uitgenodigd ben als gast bij hen mee te spelen. Een keer werd mij gevraagd met nog een speler van HTCC te komen tegen het touring team van Dick Griebling c.s. (De Lepelaars?) Mop had toevallig, het was vakantie, een tekort aan spelers. Er waren meer van die teams als de Lepelaars, zoals de Travellords, de Sprinkhanen, van de vermaarde Wim Staats en andere ACC-coryfeeën. (Ook wel genoemd “Drinkhanen”). Ze waren half onafhankelijk van hun clubs en speelden in de vakantieperioden.
De tweede keer mocht ik aanwezig zijn bij een, naar ik hoorde, jaarlijks evenement, dat de ‘Bikkelbotsing’ heette. Al jaren vraag ik mij af of ik dat goed heb onthouden. Zijn er nog Moppers die dat kunnen bevestigen?
Er werd op die dag een autorally gehouden waarna er ook nog werd gecricket. Het was een onvergetelijke dag en daar denk ik met veel plezier, en dankbaar aan MOP,.terug.
---------------------------------------------------------------------------------------------------------------------

Eind negenenveertig ging ik voor het eerst naar een Bondsvergadering onder het voorzitterschap van de grote Hugo van Manen. In de pauze verscheen een heel bijzondere gast, te weten Peter May, de toenmalige captain van het Engelse Testteam.
Na de gebruikelijke plichtplegingen vertelde de heer May het volgende verhaal. Hij opende altijd maar hem overkwam wat iedere batsman vreest, namelijk uit gaan voor NUL Dat is extra pijnlijk als captain en opener in een uitwedstrijd, zeker in Australië. Veel cricketers hebben meer ervaring met zulk uitgaan dan de heer May. Die liep met gebogen hoofd richting kleedkamers. Helaas week hij bij zijn terugkeer iets af van de rechte lijn daarheen. We hebben allemaal wel genoeg wiskunde geleerd dat je, als in een cirkel in het midden iets van de middenlijn afwijkt, bij de rand van de cirkel ver aankomt van de middellijn. Met van schaamte gebogen hoofd liep hij door om tot zijn schrik dan ook te bemerken dat hij een uiteindelijk een flink stuk van de uitgang de boundary bereikte. Hij moest dus nog een aantal meters langs de van vreugde joelende menigte gaan om het paviljoen te bereiken. Het was een verschrikkelijke ervaring.
Het getuigde wel van gevoel voor humor dat hij ons dat verhaal heeft willen vertellen.
---------------------------------------------------------------------------------------------------------------------

De laatste wedstrijden waaraan ik heb deel genomen vonden plaats op de dag waarop de zeventigste verfjaardag van Hilversum grote man Willy Rosenbaum werd gevierd. Dat was 10 augustus 1980. Duidelijk bleek welke plaats Willy in de harten van talloze cricketers had veroverd. Een uitgelezen gezelschap was uitgenodigd en ik voelde mij zeer vereerd dat ik daar ook aanwezig mocht zijn.
---------------------------------------------------------------------------------------------------------------------

Er is veel veranderd sinds ik in 1937 kennis maakte met cricket.
Het was toen nog de tijd van beschaafd handgeklap dat van tijd tot tijd uit de ligstoelen opsteeg. Thans kunnen we nu en dan (op de buis) getuige zijn van de wilde Twenty20 matches met vuurwerk bij de zessen en huppeltutjes langs de lijn als er wickets vallen of ander oponthoud ontstaat. …Ach, waren er nog maar die lange dagen aan de buis van de aloude Test Matches.

Einde

Ben Teeuwisse - 15.03.2012

====================

Meer uit de Oude Doos van Ben Teeuwisse (20.01.2012)

Pas onlangs realiseerde ik mij dat er nog maar weinig S.G.S.-ers zijn die herinneringen kunnen hebben aan 1940-1945 en de jaren daarvoor.. Ik vond verder  dat mijn eerste bijdrage aan deze rubriek te weinig was voor vijfenzeventig jaar cricket en ben daarom aan het graven gegaan.
Het is ondoenlijk om te vertellen hoe het leven in die crisisjaren en in de oorlog was. Er zijn cricketers in het verzet of mogelijk ook door oorlogshandelingen omgekomen. Er waren helaas ook cricketers fout.
Als de moffen werkkrachten zochten, vonden ze ook cricketers en ik was een daarvan. Van eind november 1942 tot mei ‘45 heb ik in Essen en in de omgeving daarvan gezeten. Laat ik erbij voegen dat het mij niet slecht vergaan is. De groep waartoe ik behoorde bestond uit kantoorbedienden en die werden beduidend beter behandeld dan fabriekspersoneel, niet alleen bij Krupp, dat ons had geronseld, maar ook de firma bij wie ik daarna terecht kwam toen de lokomotievenfabriek van Krupp, waar ik had gewerkt, totaal in de as was gelegd..
In die zomer van 1945 leefden we op, speelden onderlinge wedstrijden en potjes tegen in Nederland gelegerde teams.
Langzamerhand begon het normale leven weer en in ’46 startte de zondagcompetitie weer.
Zoals iedereen wel weet kregen we toen het probleem Indonesië. De Dienstplicht was weer ingevoerd, maar de jaargangen 1921 en 1922 werden niet meer opgeroepen, die hadden in de oorlogsjaren genoeg narigheid beleefd. De jaargang 1923 was voorlopig vrijgesteld, maar daarvan is niemand meer opgeroepen.
Voor CrIC, en waarschijnlijk ook ander clubs, had dit geen plezierige gevolgen Enkele CrIC-ers moesten naar Indië zoals dat toen nog heette. Een aantal spelers van ons eerste team besloot de snorren te laten staan totdat onze makkers waren teruggekeerd. De snorren hebben het doorgaans niet overleefd, onze Indiëgangers gelukkig wel.
CrIC werd waarschijnlijk zwaarder getroffen dan andere verenigingen (na het vertrek van de Meikevers in 1949) want slechts enkele leden waren toen net 18 of enkele jaren ouder., We hadden slechts een paar leden boven de 22 jaar. Als gevolg daarvan was ons team elke veertien dagen danig verzwakt: juist onze aankomende cracks waren in dienst en hadden maar om de zondag een vrij weekend Waren wij de ene week opgewassen tegen de sterkste tegenstander, de week daarna konden wij van de zwakste teams verliezen.
-----
Zoals eerder verteld moesten we vlak na de oorlog zeer zuinig zijn met ons materiaal. We trainden op de gemeentelijke velden waar VVV zijn thuishaven had. Op die velden speelden de ACB-jeugd en de zaterdagcompetitie. Aan de kant van de Wandelweg was een stevig soort heg die het zicht van de wandelaars aldaar op de velden beperkte. Het terrein was omringd door sloten en vooral de sloot aan de achterkant was minder goed beschermd. Veel ballen belandden in de sloot aldaar die wel zo’n tien meter breed was. Meestal konden die ballen met een lange stok of hark gered worden, maar nu en dan was zo’ n bal niet aldus bereikbaar. Er zat dan niets anders op dan… de sloot in! Ik heb de zwempartij verscheidene keren ondernomen en als ik daaraan denk, heb ik het gevoel dat ik de gore lucht van het slootwater weer ruik. En dan bedenk ik ook weer dat de sloot verderop grensde aan de begraafplaats Zorgvlied.  
Je kon het beste plat voorover het water inglijden want, als je trachtte te lopen, dan zakte je onmiddellijk in een weeë brij waaruit je je been moeilijk kon lostrekken. Maar het moest gebeuren, de ballen waren duur!
Aan de zijde van de Wandelweg werden de buiten het veld geslagen ballen gestopt door de heg en het welige, stugge gewas daaromheen. Nu was dat vrij dicht en omvangrijk: niet elke bal werd snel gevonden. Zo geviel het een keer dat een bal onvindbaar leek.
Nu weet iedereen dat de oude Grieken en Romeinen hun goden hadden die elk zogezegd hun eigen gebed beheersten. Zo had Mars de oorlog en Venus de liefde. De katholieke kerk heeft waarschijnlijk gemerkt dat dergelijke figuren gemist werden. Derhalve kregen de heiligen hun taken. Van Sinterklaas weten wij dat hij er niet alleen voor de kinderen is, maar ook voor de zeevaart en Amsterdam. Zo is er ook een heilige aangewezen als hulp bij verloren zaken. Als zoeken niet helpt, zegt de gelovige een versje op om hulp. Toen we weer eens lang tevergeefs aan het zoeken waren, zei een van onze jeugdige spelers dan ook: “Heilige Antonius, beste vrind, maak dat ik die bal weer vind.” Het hielp niet, maar een van de andere zoekenden  riep: “GXYXYTWTUVD!” en zie: hij schopte tegelijkertijd tegen de verloren gewaande bal!
-------
Het lot van de Meikevers, de dwarsliggers die zich in 1949 van CrIC hadden afgescheiden,  stond bij voorbaat vast: ze zouden het slechts een paar jaar zouden redden. Sommige spelers gingen naar andere clubs en slechts enkele keerden terug naar CrIC. Dat had het moeilijk in die eerste jaren, want al hadden we steun van het Ignatius College, we moesten zelf voor materiaal en andere kosten opkomen. We hadden toen slechts enkele verdienende leden, want het merendeel bestond uit studenten en tieners (dat woord bestond destijds nog niet).
Gelukkig hadden wij Herman  Menting als penningmeester. Hij had verstand van geld, werkte bij de A.B. Hij schoot vaak de centjes voor materiaalaankoop voor en hoopte dan zo spoedig mogelijk de contributies te ontvangen. Penningmeesters zullen beseffen hoe dat voelt. (Hij was mijn beste vriend. Helaas is hij op zestigjarige leeftijd aan kanker overleden.)  Soms ook moesten wij enkele jeugdleden te elfder ure oproepen waarbij de verdienende leden wel eens voor de reiskosten opdraaiden. Het was eigenlijk verbazend hoe CrIC weer overeind krabbelde en het heeft wat later zelfs een jaar in de tweede klasse A gespeeld.
------
Ronselen
Wat mij destijds ten zeerste ergerde was dat er een club was die duidelijk veelbelovende jongens trachtte te ronselen. Zo’n club nodigde dan heel vriendelijk een jonge ster uit om als gast mee te spelen in een tour of wedstrijd in de vakantieperiode. Ik heb mij bij zo’n club beklaagd en het is tot een uitvoerig onderhoud gekomen met een vooraanstaand lid van die club. Hij verklaarde dat veelbelovende spelers bij een grote club betere kansen kregen om zich verder te ontwikkelen.
Daar was ik het natuurlijk niet mee eens en heb een stuk ingestuurd naar Cricket, ons bondsorgaan. In die tijd was HCC oppermachtig. Het speelde met twee teams in de eerste klas en een van de twee ging dikwijls met de titel strijken. Zouden veelbelovende knapen allemaal naar HCC gaan om zich verder te ontwikkelen, dan zou de eerste klas spoedig het volgende deelnemersveld tonen: HCC 1, HCC 2, HCC 3  enz. stelde ik.
Er zou bijvoorbeeld in Den Haag, Rotterdam of Amsterdam steeds maar één club overblijven terwijl andere clubs, die naar promotie streefden, geen kans daarop kregen.
Ik had een sterke troef want ik kon wijzen op ACC, dat, met o.a. de Van Weeldes en de gerenommeerde bowler Piet Sanders, in opkomst was, met lieden uit eigen gelederen.
-----
Collapse en de Kwispelstaart
Et verschijnsel collapse zal iedere cricketer bekend zijn. Hoe komt het dat soms de val van enkele wickets leidt tot knikkende knieën en snelle val van de volgende batsmen? Onlangs (november 2011) werd Australië uitgekegeld voor 47 runs in de tweede innings tegen Zuid-Afrika. Slechts de nummers  9 en 11 haalden net dubbele cijfers. Hier hebben we zowel de collapse als de kwispelstaart. Dat laatste verschijnsel komt wel vaker voor. Soms maken we immers ineens mee dat een van de staartbatsmen in een opwelling van moed of wanhoop met een aantal flinke halen nog een pittig aantal runs slaat. Raar spel, dat cricket.
----
We gaan weer wat terug in de tijd. Ik moet toch wat van vroeger tijden vertellen, ook al heeft het niets met cricket te maken. Er zullen maar enkele mensen nog weten, of gezien hebben, dat de agenten in Amsterdam (ik neem aan dat het elders ook zo was) op Koninginnedag helmen droegen.
Wat men mogelijk wel weet is dat tegenwoordig de jaren vijftig en zestig in de vorige eeuw werden afgeschilderd als saai . Er gebeurde niks wordt vooral gezegd door lieden die in de merkwaardige wilde jaren daarna als studentjes begonnen, zonder veel levenservaring. Het blijft mij verbazen als je denkt aan de snelle wederopbloei van Nederland dat zo veel schade te herstellen had en met Indië in de problemen kwam. Ondanks dat het voor ons verloren ging, brak er desondanks geen rampspoed uit. Er moest wel het een en ander veranderd en verbeterd worden, maar zo overdreven revolutionair als de verdedigers van de oprispingen in die jaren beweerden, hoefde het niet. Op vallend was dat enkele vooraanstaande oproerkraaiers al snel op het pluche belandden.
Het ergste was dat toen de basis werd gelegd voor de huidige onbeschoftheid waarvan de geheven middelvinger wel het symbool is. Er werd immers toen gepreekt dat we geen gezag zouden moeten dulden en meer assertief moesten zijn. Je hoefde van niemand iets te pikken. Begrijpelijk dat aan de basis werd begonnen: de juf en de meester werden juf Ingrid en meester Henk. Zijn we niet ook minder fatsoenlijk geworden op de pitch, waar umpires het slachtoffer zijn geworden?
Deze (te) lange inleiding heb ik even nodig om een probleem te schetsen toen ik in 1942 bij VVV 1.mocht aantreden. Vóór de jaren zestig en zeventig zei je als tiener, en doorgaans zelfs in het algemeen, tegen personen boven de 25 ‘juffrouw’, ‘mevrouw’ of ‘meneer’, en ‘u’, geen ‘jij’. Nu was de stap van de junioren- en zaterdagmiddagcricket. naar de ‘eredivisie’ voor mij al geducht, de stap naar VVV 1 was nog moeilijker. De captain van dat team, Jan Grootmeyer, had mijn grootvader kunnen zijn, Anton Stuivenberg (oud international) en Hein van Wermeskerken waren ongeveer twintig jaar ouder dan ik (19). Tegen de laatste twee heb ik me wel verstout ze in de loop van de tijd te tutoyeren, maar Grootmeyer bleef ‘meneer’ voor mij, Dat waren zogezegd Andere Tijden!
--------
Ik meen dat het 1953 was dat het Australische testteam Nederland bezocht. Er werd ook in Den Haag tegen Nederland gespeeld. Veel van die match herinner ik mij niet meer. Van ons elftal maakten Nico Leeftink en Wim Feldman, mijn medespeler in de ACB-jeugd, deel uit. In het team van Australië speelden de geduchte allrounder Miller en de toen nog aankomende grootheid Richie Benaud. Benaud was vele jaren de populaire presentator van cricketmatches op tv.


Klik op de foto's en deze openen groot in een nieuw vensterBovenstaande foto's zijn ontvangen van Rob de Haas uit zijn eigen archief en van Fred Reman. M.b.t de foto links weet Maarten Ingelse te melden dat dit de scorecard is van de wedstrijd op 27 juni 1957 op Rood en Wit. De foto in het midden betreft het 'Souvenir Tour Programme' van het Australische Testeam dat in 1964 in en tegen Engeland speelde en op 29 augustus op H.C.C. tegen Nederland de historische, door Nederland gewonnen, wedstrijd speelde. Rechts hiervan de scorecard die is ontvangen van Fred Reman. Allemaal bedankt voor de informatie !!!

En ik denk nog met weemoed aan de vele uren, die ik, na mijn pensioen, in de jaren tachtig en negentig, aan de buis heb gezeten zowel bij testmatches als ‘one day’-wedstrijden. Zo heb ik Graham Gooch 333 runs zien slaan! Helaas, sloegen eensklaps de betaalzenders toe.

Ook de West-Indiërs bezochten ons in de jaren vijftig. De wedstrijd werd gespeeld op het terrein van Rood en Wit.  Ik was toen al lid van de Propaganda Commissie en zat, samen met collega Jan Scheffer, aan een tafeltje voor de tribune. Toen de West-Indiërs voor de lunch langs ons kwamen, heb ik aan enkele spelers de bekende foldertjes als ‘Jongens wat is cricket’ uitgedeeld. Zo heb ik oog in oog gestaan met Garfield Sobers, een van de beste allrounders aller tijden!
----
Ongeveer midden jaren vijftig verscheen een heer uit Engeland met een eenvoudige, maar voortreffelijke trainerscursus.. Het was de heer Crabtree die, met zijn uitstekende methode verscheidene trainers hier heeft opgeleid. Zelf heb ik een aantal van zijn lessen bijgewoond maar  geen examen gedaan. Ik heb er veel van geleerd. Wordt er nog met zijn methode gewerkt en zijn er nog oud-leerlingen die ervan kunnen getuigen?
-----
Na de oorlog hebben er enkele Engelse soldatenteams aan de Nederlandse Competitie deelgenomen. Zelf heb ik met CrIC gespeeld tegen het Garrison Hoek, uit Hoek van Holland en later troffen wij met HTCC het team van Grobbendonk.
Toen wij tegen Garrison Hoek aan bat gingen, opende onze beste batsman en ik ging als nummer twee. Nog zie ik de verbijsterde uitdrukking op het gelaat van onze nummer een. Nauwelijks had hij zijn bat opgetild of de gehele off stump lag een eindje verder. We waren nu wel gewaarschuwd maar een erg hoog totaal bereikten we niet. Achteraf hoorden wij dat hij de snelste bowler was van de B.A.O.R. Voor onze jeugdige lezers: dat was de British Army On Rhine.
Toen ik bij HTCC speelde troffen we de Grobbendonkers, ook een eenheid van de Britse strijdkrachten, aan. Wat deze tegenstanders zo aantrekkelijk maakte was het feit dat de consumpties in hun kantine, tot grote vreugde van allen,  uiterst betaalbaar waren. Daar heb ik voor de eerste keer een screw driver gedronken, whisky met sinaasappelsap. En ook voor de tweede en derde keer…
-----
We gaan weer even terug naar mijn eerste cricketjaren. Eenmaal bij de ACB in 1938 ging ik naar de wedstrijden van VVV dat speelde op de veldenwaar ik in de ACB-jeugdcompetitie speelde. Ook ging ik  wel eens naar de training van VVV op donderdag- avond. Ik was al blij als ik een bal kon teruggooien als die uit het veld geslagen was. Toen speelde de bekende Nederlander Wim Schoevaart, het oudste lid van Ajax, nog bij VVV. In 1942 was hij weer vertrokken, waarschijnlijk naar Ajax.
Ik had er natuurlijk nog geen idee van dat ik in 1942 in het. eerste van VVV zou debuteren. Het was een bijzonder jaar voor VVV want het bestond veertig jaar. Dat werd gevierd met eerste een voetbalwedstrijd  tussen de hockeyers en de voetballers. In dat voetbalteam speelden enkele zeer goede spelers, maar de hockeyers – enigszins bijgestaan door de scheidsrechter Jan Grootmeyer-- weerden zich goed al verloren zij.
Helaas begon het ’s middags ontzettend te regenen. Andere feestelijkheden op het veld gingen natuurlijk niet door, maar men slaagde erin voldoende ruimte te vinden bij het restaurant van de bekende biljarter Jan Sweering, dat lag waar nu de Nederlandse Bank is gevestigd. Het werd dus toch nog een geweldig feest, zij het niet voor mij. Bij een van de feestelijke onderdelen kwam ik hoogst ongelukkig te vallen en raakte zwaar geblesseerd aan mijn rechterknie. Ik heb drie weken plat gelegen alvorens ik weer aan de slag kon. Het was geen sportblessure, maar een sportfeestblessure!
-----
Vóór dat feest speelde VVV 1 tegen Quick  Nijmegen en dat was de duizendste wedstrijd van de toen nog NCB- competitie. Een foto van dat team bevindt zich nog in het VVV-clubhuis.
Ook de uitwedstrijd tegen Quick-N bood nog iets bijzonders. Naast het veld was een perenboomgaard. Toen er een zes werd geslagen die tussen de bomen aldaar belandde, togen enkele spelers naar de boomgaard om de bal te zoeken. We vonden niet alleen de bal, maar ook peren. Toen ik een peer wilde plukken, voelde ik dat die nog te hard was. Er lagen echter wel enkele pas gevallen peren die ongeschonden en rijp bleken. Daar heb ik er een paar van meegnomen. Mijn medezoekers hadden die gevallen peren niet vertrouwd en er dus een aantal van geplukt. In de trein terug genoot ik van mijn oogst. Mijn makkers, keken, met hun onrijpe peren en schuine ogen naar mij.
-----
 Toen ik nog in Eindhoven woonde trok ik een keer, met dochters, naar Utrecht waar SGS tegen Kampong aantrad. Toen ik inging moest ik Cees Tettelaar bijstaan. Hij was op weg naar en century bleek later, maar voordien kreeg ik een bal op leg. Of het de bounce van de bal was of mijn onhandige poging de bal op adequate wijze naar de boundary te transporteren weet ik niet, maar wel voelde ik dat mijn linker wenkbrauw was getroffen. Het deed nauwelijks pijn en ik wilde mij weer opstellen voor de volgende bal toen men van alle kante riep: “Stop! Stop!.” Toen voelde ik dat er iets over mijn wang liep. Mijn wenkbrauw lag open.
Nu had mijn dierbare echtgenote mij en mijn dochters rijkelijk voorzien van proviand, handdoeken, zeep en wat dies meer zij . Er was een van de handdoeken knalrood en juist met die kwam een van mijn dochters aangesneld. Zo bleek het een veel bloederiger geval te zijn dan het was en de toeschouwers schrokken dienovereenkomstig. Een van de aanwezige dames (die ik nog steeds zeer dankbaar ben) bracht mij naar het ziekenhuis. Aldaar werd ik toevertrouwd aan een vrouwelijke arts. Zij had kennelijk ook ooit uitstekend borduren geleerd, want de wond werd zeer fraai dichtgenaaid. Je zag er al gauw geen bal meer van.
Terug op het veld. kon ik weer meedoen, zij het dat Kampong aan bat was. Ik heb, geloof, ik zelfs nog één wicket genomen  Op mijn cricket-VC kon ik nu eenmaal ‘retired hurt’ vermelden.
“Hurt, not retired’ is mij ook eens pijnlijk overkomen. Dat gebeurde in Eindhoven en ik stond er als eerste slip. We hadden een zeer snelle bowler die een bal aan leg gooide die zowel door de batsman als de wicketkeeper werd gemist. Aangezien ik het tijdig zag aankomen startte ik meteen en trachtte de bal met mijn hand te stoppen. Helaas, de bal trof een klein hobbeltje en de bal spoot keihard precies op het knobbeltje aan de binnenkant van mijn linker enkel. Het deed behoorlijk pijn en ik heb in de kleedkamer een stroom koud water over de plek laten gaan. Dat hielp en ik heb verder gespeeld. s’‘Avonds ging de plek steeds erger pijn doen, zo erg dat ik naar bed ben gegaan. Toen ik mijn sok uittrok zag ik een voet die tot boven de enkel helemaal zwart was! Bij een bezoek, de volgende morgen, aan arts, specialist en ziekenhuis bleek dat het gelukkig niet meer was dan een enorme bloeduitstorting.
-----
In onze gelederen bevond zich ooit de grootste promotor van IJshockey in Nederland. Dat was Frans Henrichs. In die tijd kreeg deze sport, dank zij hem, veel meer bekendheid dan thans. Bij een wedstrijd op de velden van de Twentsche Bank, waaraan ik veel dierbare herinneringen heb,  stond Frans in het verre veld toen een zeer snelle bal te ver van hem vandaan richting boundary schoot. Van ergens in de buurt van het wicket klonk prompt uit de mond van de grote VRA-er Wim Kummer: “Frans, Icing!” Voor het geval dat u niet weet wat dit betekent: Het is de overtreding waarbij de puck in geval van nood met een enorme klap uit het verdedigingsvak naar de andere kant van het veld wordt geslagen..
----
Het Mirakel van Rotterdam
Bij een van de eerste wedstrijden tussen Rotterdam/Schiedam en Amsterdam kwam Wally van Weelde aan bat. Hij speelde toen nog bij ACC en dus voor Amsterdam. Later zijn hij, en zijn broer Hans, verhuisd  naar Rotterdam en VOC. Op zeker moment ging Arie Terwiel, de gevreesde bowler van VOC, op silly mid on staan om Wally uit te dagen. Die trok zich daar niets van aan en toen er een geschikte bal aan kwam, sloeg hij toe. Tot grote schrik van iedereen stortte Arie neer, de bal had zijn hoofd keihard getroffen. Gelukkig kwam hij overeind, maar hij werd zo snel mogelijk naar het dichtstbijzijnde ziekenhuis gebracht. Nog vrij snel kwam hij terug, hij had geluk gehad en kwam met de schrik, en waarschijnlijk nog wat hoofdpijn, vrij. Het had net zo goed ernstig fout kunnen gaan.
Elk team, vooral in de lagere regionen, telt vele spelers die niet vaak aan hun trekken komen. Zij zijn enthousiaste cricketers, maar noch aan bat, noch aan bal zeer bedreven. Soms, maar bepaald niet altijd, zijn zij goede fielders. Soms maken zij een vang, soms stoppen zij een moeilijke bal, maar vaak ook komen zij niet aan bat en bowlen geen bal. Toch horen zij er helemaal bij. Soms zijn er uitblinkers, zoals wijlen Piet van het Noordende die je gerust een matchwinner kon noemen. Hij heeft, volgens mij, de catch van de eeuw op zijn naam. Ik heb daar al iets over geschreven dat in het jaaroverzicht van 1909  is opgenomen. Voor wie dat gemist hebben: in het veld, met CrIC tegen Kampong 2, sloeg de vermaarde Jan Offerman, lang topscorer van het Nederlandse cricket met 240 not out, tegen de wind een enorm hoge en verre bal. Piet snelde in de richting waar de bal zou neerkomen. Door de wind moest Piet iets van richting veranderen, draaide zich al om de bal te pakken, stapte in een kuil en sloeg stijl achterover. Vóór dat hij hellemaal plat lag, schoot zijn hand uit en vlak boven het gras greep die hand de bal klemvast. Dat doet niemand hem ooit na!

Voor mij staat vast dat cricket besmettelijk is; al heb je totaal geen aanleg voor batten of bowlen, je bent besmet met het cricketvirus.
Aan die trouwe cricketers zonder pretenties maar met echte cricketharten breng ik hierbij hulde

Ik laat het hierbij en groet u allen zeer.
Ben Teeuwisse - 20.01.2012

P.S. Wie leest leert, geniet en verrijkt zijn geest: In een nieuwe biografie van George Washington, de generaal van de Amerikanen in hun vrijheidsstrijd en daarna president lees ik dat hij, tijdens een betrekkelijke rustperiode halverwege die oorlog,, met jonge officieren cricket speelde. Hebben de Amerikanen, na de thee uit Engeland overboord te hebben gegooid  en door koffie vervangen, ook cricket weggedaan?. Wat hebben ze er aan overgehouden: koffie (tot voor kort een niet te drinken vocht en honkbal…

--------------------------------------
Naar aanleiding van het verhaal 'Meer uit de Oude Doos van Ben Teeuwisse' waarin twee
kaarten worden getoond het volgende:

De gedeeltelijk zichtbare kaart (links) is de scorekaart van de wedstrijd Nederland - West Indië op 27 juni 1957 op Rood en Wit in Haarlem.
De andere kaart is een 'Souvenir Tour Programme' van het Australische Testeam dat in 1964 in en tegen Engeland speelde en op 29 augustus op H.C.C. tegen Nederland de historische, door Nederland gewonnen, wedstrijd speelde. Zie de scorecard
Er wordt in het verhaal ook melding gemaakt van een wedstrijd tegen Australië in 1953 . Dat klopt. Ook die wedstrijd was op H.C.C.
Op de website van CricketEurope kun je onder Netherlands 'StatsZone' alle gegevens vinden van de wedstrijden van het Nederlands XI.

Vriendelijke groeten,
Fred Reman - 31.03.2012
===================

De eerste bijdrage van Ben Teeuwisse voor deze rubriek is :(31.10.2011)

In 1936 kwam ik op een vreemde manier in contact met cricket. Het toeval speelde ook een zeer grote rol in het vervolg van mijn cricketleven. In datzelfde jaar kwam er een jonge pater, die Engels studeerde en in dat land al een deel van die studie had gedaan op het College.. Dat was pater Tonino Op het Ignatius College kregen de aankomende jezuïeten bepaalde taken zoals leiding van voetbal, hockey, de verkennerij en soortgelijke activiteiten waarmee men de leerlingen ook buiten de schooltijd bezig hield. Men streefde naar een gezonde geest in een gezond lichaam en cricket was wel de aangewezen sport waar sportiviteit en goede manieren hoogst belangrijk waren.
Al spoedig bleek Tonino een man die zich zo mogelijk met meer dan 100% voor zijn taak inzette.
Aan het eind van het voetbalseizoen, in 1937, begon hij meteen knapen te ronselen die hij geschikt achtte voor cricket.
Het toeval was CrIC, de Cricketclub Ignatius College in wording, behulpzaam: dat jaar werden in Amsterdam voor het eerst (en ook voor het laatst) schoolwedstrijden uitgeschreven. Voor voetbal was dat al lang gebruikelijk.
Tonino schreef meteen in. Hij had maar enkele jongens over van het jaar ervoor, maar hij verzamelde er een flink aantal bij.
Hij was heel stoutmoedig want hij had nauwelijks geschikt materiaal: slechts één behoorlijk bat, een zeer gammel exemplaar en een dat was samengesteld uit het blad van een bat waarin een deel van de steel van een hockeystick was aangebracht. Waar hij de legguards en keepershandschoenen vandaal gehaald had, weet ik niet, maar het was allemaal zeer primitief.
Desondanks werd fanatiek met trainen begonnen. Daartoe moest op het hockeyveld van HIC een pitch gefabriceerd worden. Gelukkig waren er een zware roller en een maaimachine, allebei met de hand te bedienen. Voor voetbal en hockey huurde het College enkele stukken hobbelige grond van een boer in Amstelveen.
Aangezien de tijd kort was moest alle tijd goed worden benut. Brutaal besliste Tonino dat we dan maar niet alleen op woensdag- en zaterdagmiddagen moesten trainen, maar ook op de avonden. Het is duidelijk dat het College dat verbood, wanneer moest het huiswerk worden gemaakt? Tonino schijnt een flinke schrobbering te hebben ondergaan, maar hij had toch wat avonden getraind voor het verbod kwam.
We hebben twee wedstrijden gespeeld die we natuurlijk met innings verloren. Onze tegenstanders hadden enkele al behoorlijk vaardige spelers die hun weg naar de eerste klas zouden vinden.
Wij hadden slechts één speler die wat meer opleiding had gehad. Zijn pa zat in het bestuur van VVV. Hij maakte in de eerste wedstrijd 12 van de ongeveer 30 in een van de innings. Ongeveer 30 bleek onze limiet te zijn. Deze ster, die toch al niet zeer geliefd was, liep vanaf die 12 naast zijn schoenen
Ik ging eerst aldoor in als nr. 2, maar in de tweede innings van de laatste match wilde onze nummer 1 graag met mij ruilen. Nu was daar als umpire de heer A.J. van Wermeskerken, de jeugdleider van de Amsterdamse Cricket Bond. Hij was daarnaast een geduchte leg spinner van VVV. Voor ik in ging als nr. 1, riep hij mij bij zich. Dat bat dat ik had was niet geschikt vond hij en hij gaf mij een iets kleiner bat dat lichter was en dus voor mij heel wat beter.. Het gevolg was dat ik met 15 van onze ‘ongeveer’ 30 runs duidelijk topscorer werd..
De vreugde was groot, niet zozeer voor mij, maar omdat onze ‘ster’ van de eerste match een toontje lager moest zingen. Dat werd hem dan ook na de wedstrijd zeer duidelijk gemaakt.
Wat echter het allerbelangrijkste voor mij was dat Van Wermeskerken (algemeen bekend als Hein) mij vertelde dat ik het volgende jaar bij hem in de ACB zou komen. Bij de ACB konden destijds jongens twee jaar gratis trainen en spelen in de ACB jeugdcompetitie. Daarna moest je kiezen voor een club in Amsterdam.
Nu was helaas de regel van het College dat je alleen in de collegeclubs mocht spelen tenzij er gegronde redenen waren om elders te voetballen , hockeyen of andere sport die op het College beoefend werd. Mij is echter geen strobreed in de weg gelegd.
Van het eerste jaar kan ik mij niets herinneren, van het tweede jaar iets meer., Van Wermeskerken maakte mij toen aanvoerder en als onderopperhoofd werd Karel Prior (ja, die) aangewezen. Hij moest echter om gezondheidsredenen voorlopig stoppen met cricket.
----
Aan de. Amsterdamse Zuidelijk Wandelweg lagen verscheidene sportterreinen. ACC/AFC had velden vlak tegen de begraafplaats Buitenveldert, meer naar het oost en waren er enkele gemeentevelden waarop VVV speelde en de wedstrijden van de Amsterdamse Cricket Bond plaats vonden.
Ik denk met plezier terug aan de avonden op het VVV-veld waar ’s avonds al vroeg jongelui in de kooi aan de slag gingen en enkel oudere leden bij mooi weer zaten de luieren. Er waren daar later zeer bekende lieden bij: Louis van Gasteren, de filmer, en Henk Ruhling, de grote bokspromoter, die meestal in een ligstoel zat en grote sigaren rookte. Wie als laatste aan bat kwam, kon in de duisternis op de pittigste fastballen rekenen.
----
In die tijd stelde ik vast dat het gebruikelijke schoolprogramma helemaal fout was. Het cricketseizoen begon op een ogenblik waarop de overgangsexamens werden voorbereid. Veel beter ware het geweest als die examens in december zouden zijn gehouden. Je had dan minder de neiging naar buiten te gaan en ging dan maar studeren. In het nieuwe jaar ging je naar de volgende klas. Bleef je zitten, dan kon je in de warme sfeer van het Kerstfeest getroost worden.
----
In dat tweede jaar met het ACB-team speelden we natuurlijk tegen de jeugd van VRA, ACC en VVV. De aanvoerder van VRA was toen Huib van Weelde en ik denk een van de weinigen te zijn die tegen, of met alle vier Van Weeldes van die generatie gespeeld te hebben,
Wat mij van VRA vooral is bijgebleven is de herinnering aan de mat: die was bijna tweemaal zo breed als die elders gebruikt werden. Ik voelde mij daarop veel zekerder en het lag misschien daaraan dat ik op die mat, in 1940, mijn eerste 50 heb gescoord.
Ik weet niet meer hoe het nu is, maar je had nog wel eens velden waarop de rand van de mat nog leunde tegen het gras naast de gravelpitch. Een slechte bal, op de rand van de mat, kon zo dodelijk worden.
----
In 1939, mijn tweede jaar in de ACB, verscheen er in een krant (Ik meen de Telegraaf) een foto van een jeugdige bowler in actie, met achter hem de umpire, de heer Van Wermeskerken. Het was een juist ontdekt talent namelijk Wimpie Feldman, die de beste was in mijn team. Hij heeft dan ook later enkele keren in het Nederlands Elftal gespeeld. Dat speelde toen nog maar sporadisch.
Heel langzaam kwam daardoor bij mij de herinnering boven dat ik nu en dan op verzoek van Van Wermeskerken een envelop met de uitslagen van cricket in de bus gooide van een journalist (Ik geloof van de Telegraaf). Een heel vermaarde cricketer uit het begin van de twintigste eeuw, J.C. Schröder, was journalist van de Telegraaf.)
Voor velen zal het een openbaring zijn dat er toen regelmatig berichten over cricket in de kranten stonden. Achteraf bezien niet zo vreemd want ongeveer in het midden van de jaren vijftig vierde de Amsterdamse Cricket Bond haar zestigjarig bestaan. Er werd toen dus waarschijnlijk al geruime tijd meer gecricket dan thans. Toen ik mijn intrede deed, was er een flinke zaterdagmiddagcompetitie met twee klassen! In die competitie namen o.a. banken deel, de Amsterdamse, Rotterdamse en Twentse bank, als ook de Nederlandse Handelmaatschappij. Ook Rood-Zwart, het team van de gemeente Amsterdam nam deel. Verder was er een club RIO (Run It Out) een sterke tweedeklasser in de NCB, die ook in de zaterdagcompetitie speelde. Er waren er waarschijnlijk meer maar ik ben niet zeker van de namen.
----
Het lijkt vreemd dat er in die jaren van werkeloosheid en armoe toch zoveel cricket was. Ik meen te kunnen verklaren hoe dat mogelijk was.
Voetbal was natuurlijk de belangrijkste sport. De uitrusting daarvoor was nog wel te bekostigen. Hockey had nog een elitair karakter en was ook al duurder omdat je sticks nodig had en die waren waarschijnlijk voor velen te duur. Bovendien kwam je niet gauw met hockey in aanraking, voetbal zag je overal op straat.
Tennissen was geen sport voor de massa, rackets en ballen kreeg je ook niet bij de boodschappen cadeau. Maar cricket dan? De bekende oude voetbalclubs hadden haast allemaal ook een cricketafdeling: de nog niet Koninklijke HFC had Rood en Wit, HVV had HCC, Sparta-cricket was ook Sparta , VOC dito, evenals Hermes DVS, AFC had ACC om er een aantal te noemen. Leden en supporters kwamen zo in aanraking met cricket. Veel topspelers waren ook topcricketers.
Laat ik Ajax niet vergeten. Het heeft ook gecricket en ik herinner mij nog een wedstrijd op het veld vóór het stadion in de Watergraafsmeer. De Ajaxieden stelden ons een keer voor de lunch later te houden. We konden dan samen op de eretribune de vriendschappelijke wedstrijd Ajax-Heerenveen bijwonen. Daar hadden we natuurlijk niets op tegen.
In Amsterdam, zoals hierboven al is verteld, namen banken en de NeHamy deel aan de cricketcompetitie. De spelers hadden om mee te doen slechts een wit shirt, dito broek en gympies nodig, de bank stelde de bag, met al het overige materiaal beschikbaar. De Twentsche Bank had een eigen complex, waar velen, denk ik, nog met veel plezier aan terug denken. Toen ik begon te spelen hadden er maar weinig spelers eigen bats en handschoenen, om van legguards nog maar te zwijgen. De verhouding lonen-prijzen van die tijd was beduidend ongunstiger dan nu, zeker voor zulke luxe importartikelen. Pas met de groeiende welvaart na 1950 konden zich veel meer cricketers het zich veroorloven een bat of nog meer aan te schaffen.
Over de bag gesproken: het was een heel gesjouw met dit zware geval als het veld van de tegenpartij ver van het dichtstbijzijnde openbaar vervoer was gelegen. Auto’s waren nog zeer schaars. Niet gauw zal ik een lid van Kampong en SGS vergeten die klaagde dat hij nog pas als jongste de bag had moeten dragen., want hij was pas…61.
---
Hein van Wermeskerken verdient wel enkele regels apart. Aan de zijkant van de grote kleedkamers van het VVV-terrein zat een aparte ruimte waarin Hein haast elke dag te vinden was. Hij had, of werkte voor, een sportzaak. Bij hem kon je alle cricketspullen bestellen en hij had altijd bats in voorraad. Werd er een verkocht, dan werd het, voor het geleverd werd, deskundig ingeklopt met een harde bal (geen cricketbal) op een korte stevigste stok. Ik heb heel wat afgeklopt en. daarmee heb ik de kennis opgedaan toen we voor CrIC zelf bats moesten aanschaffen. Hein was dan wel zo vriendelijk na het kloppen nog wat balletjes op me te gooien in de kooi. In een boek van de KNCB , ‘Een eeuw georganiseerd cricket in Nederland’ staan natuurlijk veel cijfers. In de lijst van bowlers met de meeste keren 7 of meer wickets in een innings staat Hein vermeld met 33 keer, waarvan 2x9 en 7x8. In 1927 en 19929 oogstte hij 93 wickets in één seizoen! Ik meen te weten dat hij in vroeger jaren een snelle bowler is geweest, maar in ‘mijn’ tijd was hij een zeer gevreesde leg spinner!. Niet alleen ik heb veel van hem geleerd, ook veel leden van het jonge CrIC hebben zijn waardevolle lessen genoten. Hein en zijn ouders zijn helaas in de Hongerwinter overleden.
-----
We gaan even naar Haarlem. In 1941 vierde Rood en Wit het zestigjarig bestaan. Ter opluistering van dat feit nodigde de oudste club, R&w, CrIC, de jongste, uit. Ook Haarlem (thans Bloemendaal) werd uitgenodigd. We verloren beide wedstrijden, maar sloegen lang geen gek figuur In een Haarlemse krant (op het de Oprechte was, weet ik niet maar men deed oprecht verslag) stond een uitgebreid verhaal van onze match tegen Rood en Wit. (Ik ben zo onbescheiden om te vermeden dat ik een pluim kreeg voor mijn stijlvolle 25 runs.) Het is dus duidelijk, zoals ik eerder meldde, dat er toen meer over cricket in de krant verscheen dan thans. In die jaren kwam je met dubbele cijfers, zelfs 10, al in Cricket, het blad van de NCB. De totalen waren in het algemeen toen bescheidener dan thans.
----
In 1949 was CrIC een club in opkomst in de zondagcompetitie. In 1947 was de secretaris van ons jonge bestuur ook als secretaris van de ACB begonnen. In het jaar ’49 heeft hij zich, met een groepje leeftijdgenoten, afgescheiden van CrIC en de Meikevers opgericht. Dat groepje wilde met twee elftallen aan de zondagcompetitie deelnemen. De rest van het bestuur besefte dat ons ledental te klein was, aangezien je ’s zomers afzeggingen kon verwachten door de vakanties. Hij moest aftreden bij de ACB en ik ben hem als secretaris opgevolgd.
Het toeval wilde dat ik op het kantoor waar ik kort na de oorlog heb gewerkt als collega Hans Thon aantrof. Hij (HFCer en Rood en Witter) zat in het bestuur van de Haarlemse Cricket Bond.
Van hem hoorde ik dat er jaarlijks werd gestreden om de Zilveren Bal tussen de Amsterdamse en Haarlemse jeugd. Het was leuk om die elftallen te begeleiden.
Door Hans Thon en, mogelijk ook Marinus van der Eb, trad ik toe tot de Propaganda Commissie van de toen nog NCB. Van der Eb heeft, op verzoek van Tonino, het College bezocht, toen wij nog niet zo lang bezig waren, en enkele Engelse filmpjes over cricket vertoond waarin testcricketers hun kunsten vertoonden.
---
Ongeveer halverwege de jaren vijftig trad de voorzitter van de ACB af na zich jaren voor vele sporten in Amsterdam te hebben ingezet. Ik volgde hem op. De ACB vierde toen ook haar zestigjarig bestaan. Er werden drie feestwedstrijden op het programma gezet: een juniorenwedstrijd Amsterdam-Haarlem, een tussen spelers van de zaterdagmiddagcomtetities van Amsterdam en Den Haag, en een voor spelers van de zondagscompetitie: Amsterdam-Rotterdam/Schiedam.
Dat was een succes. Het jaar daarop vierde de Rotterdamse Bond haar vijfentwintigjarig bestaan.
Ik weet niet of er andere wedstrijden gespeeld zijn, maar de ACB kwam met de zondagsspelers
uit tegen Rotterdam/Schiedam, bij welke gelegenheid ik heb voorgesteld er een jaarlijkse ontmoeting van te maken. Omdat er afzeggingen kwamen heb ik enkele wedstrijden meegespeeld als invaller, omdat ik uit hoofd van mijn functie toch mee moest.
----
Tegen het eind van de jaren vijftig ging het langzamerhand slechter met de zaterdagmiddagcompetitie. Andere sporten, makkelijker dan cricket, zoals basketbal, kwamen op en er was niet voldoende aanwas uit het nageslacht van de deelnemers van voor 1940. Een grote handicap bleken ook de zondagse wedstrijden die, zeker bij verre uitwedstrijden, hele zondagen vergden. Men ging nog met openbaar vervoer dat zich nog aan het herstellen was van de oorlog. Op zekere zondag misten drie spelers de trein naar Deventer. Van UD mochten we, heel vriendelijk, beginnen met batten. Na één uur arriveerden ze gelukkig, we hadden gelukkig pas één wicket verloren.
Een even grote handicap voor cricket was zeker de liefde! Veel aankomende cricketers zijn afgevallen omdat hun geliefden hen niet voor hele zondagen wilden afstaan, of geen zin hadden de hele dag aan de boundary te vertoeven..
Het bracht mij er dan ook toe in de ACB voor te stellen de zaterdagcompetitie te propageren. Cricketers die ook tegen de lange zondagen opzagen, om wat voor reden dan ook, voelden misschien wel wat voor die competitie. Hoewel ik het zelf niet lang heb meegemaakt (in 1959 vertrok ik vanwege een nieuwe baan en verhuisde in 1960 naar Eindhoven) sloeg dat aan en zelfs VRA en ACC, die eerder, voor zover ik mij herinner, niet in de zaterdagmiddagcompetitie uit kwamen, gingen deelnemen. Gelukkig bleef de zaterdagmiddagcompetitie zo bestaan.
-----
De oorlog was in alle opzichten een ramp. Er werd nog wel normaal gecricket zo lang het kon, maar de benodigdheden kwamen niet meer uit het buitenland. We waren dus uiterst zuinig met bats, ballen e.d. en we hebben zelfs met witte ballen gespeeld, hockeyballen, want die waren er nog wel. Waarom en wanneer ertoe werd besloten weet ik niet meer, maar er werd ooit overgegaan op overs van acht ballen.
Toen we na de oorlog weer materiaal beschikbaar kwam, poetste ik, na elke wedstrijd, de ballen met witte was. Ze gingen echt langer mee.
Een vriend van mij, die ook kort in CrIC had gespeeld, uit een familie die niet alleen uitstekend van hersens was voorzien, maar ook de handen kon roeren, heeft met zijn vader een uitstekend blad gezet aan de nog goeie steel van een niet meer bruikbaar bat. Daarmee is kort na de oorlog zelfs nog een century gescoord.
----
Ik verhuisde, zoals aangegeven, in 1960 naar Eindhoven .Ik was toen al afgetreden bij de ACB en uit de Propaganda Commissie. Bij de laatste bijeenkomst van die commissie waaraan ik deel nam, ten huize van de voorzitter, de heer R.G. Ingelse - die toen ook zijn functie neerlegde – vroeg deze mij of ik al lid was van SGS.. Ik was nog geen veertig, zei ik (maar 37). Dat maakte niets uit, hij zou wel zorgen dat ik lid werd. Op dat ogenblik wist ik nog niet dat ik naar Eindhoven zou gaan, maar wel dat ik uit Amsterdam zou vertrekken. Als ik lid was van SGS zou ik in elk geval kunnen blijven cricketen. Pas toen ik echt veertig was heb ik voor het eerst gespeeld in een onderlinge van 4 elftallen op VOC. Het was mijn succesvolste optreden ooit bij SGS.. Molly Geertsema was toen nog minster of lid van de Tweede Kamer en had daar nog vergaderd die ochtend, maar deed mee!) Wegens regen begonnen we wat later.
----.
Als we in de Oude Doos rommelen komen we natuurlijk uit bij de DRAW. Die is er nog wel, maar niet bij de matches van 40 of 50 overs. DE TIJD UITPRIKKEN was echt iets uit het verleden van de van vaderlandse competitie. Het was destijds: zes en een half uur speeltijd en de eindtijd werd bepaald bij het tossen. Als ik mij niet vergis heette het ook: Regentijd is speeltijd! Het was een bijzonder genoegen tegen een veel sterkere tegenstander nog een punt te veroveren hoewel jouw totaal bij lange na niet in de buurt van dat van je tegenstander kwam. Hoe spannend ook als je het totaal van de tegenpartij naderde…
Dat uitprikken is CrIC helaas niet gelukt in de enige wedstrijd waarin ik mijn bat door de innings heb gedragen. Het was een regenachtige dag en ons batten werd enkele malen kort onderbroken.
Met nog weinig overs te gaan kwamen onze laatste twee batsmen in. Nu had de tegenpartij een goeie keeper en de (Engelse) coach van onze tegenpartij was umpire op square leg. Hij was ofwel zo enthousiast over het stumpvermogen van de wicketkeeper, ofwel tranende ogen van ingespannen kijken, dat zijn wijsvinger prompt omhoog schoot bij appeals, ondanks de letterlijke standvastigheid in de crease van de laatste batsmen.
----
Als je met cricketen begint wordt er toch doorgaans verteld dat uiterste sportiviteit en bijbehorend gedrag onverbrekelijk bij cricket horen. Doorgaans werd er destijds weinig tegen gezondigd. Het kostte soms moeite zonder tekenen van verontwaardiging van het wicket te vertrekken, maar men trachtte met de stiff upper lip de terugtocht te aanvaarden. Is dat niet wat minder geworden tegenwoordig in de hoogste klassen?
Mij is het een keer zelfs met een glimlach gelukt. Ik werd namelijk ‘hit de ball twice’ uit gegeven. Inderdaad had de bal even heel licht gestuiterd bij een harde hit hoog en ver de lucht in. Onze umpire stak de vinger op want hij had de stuiter ook gehoord. Op point bij de tegenstander kwam prompt een luid protest. Die point bleek bondsumpire te zijn en hij legde uit dat de dubbele hit in één zwaai gebeurd was. Zeer sportief gedrag want hij had kunnen zwijgen. Ik had op dat ogenblik al bijna 40 runs! De bowler was zo teleurgesteld en geschokt dat ik, om gezeur te voorkomen, naar de kant ben gegaan. Hst is toch wel heel bijzonder om ‘hit the ball twice’ uit te gaan. Hoe velen hebben dat in hun cricket-CV staan? .
-----
Iedere cricketer herinnert zich wel voorvallen die hem lang zullen bij blijven. Zo trachtte ik eens een snelle korte run te lopen en rende naar het dode wicket. De bal kwam ongeveer tegelijk met mij bij de bowler en ik werd uit gegeven. Ik betwijfelde de beslissing, maar vertrok zonder morren. Na de strijd zat ik naast een oude coryfee die mid on had gestaan naast het dode wicket. Onder het genot van de pils vertelde hij mij vriendelijk dat ik not out was geweest: het wicket was al licht beschadigd toen de bowler de ingooi ontving. Hij had dus een stump moeten uitrukken. Ja, jammer voor jou, zei de coryfee.
-----
Heel anders verging het mij jaren ervoor. We speelden uit met een zwak elftal tegen een sterkere tegenstander. Ik stond te umpiren aan het dode wicket toen de laatste over begon. Onze nummer 11 overleefde enkele ballen maar na een van de laatste voor het einde klonk een luid appeal voor ‘been voor paaltje’ zoals het in Zuid-Afrika wordt genoemd. Er was geen twijfel mogelijk en ik stak dus de vinger omhoog.
Nooit is er met meer verbazing naar mij gekeken dan vanaf dat moment totdat we huiswaarts trokken. Uit hun reacties bleek dat ze mij voor gek hadden versleten omdat ik niet ‘not out’ had geroepen.
-----
Een heel moedig blijk van sportiviteit vond plaats kort na de oorlog. Er lag een Engelse eenheid in Amsterdam waartegen we hebben gespeeld als ook tegen een eenheid uit het oosten van het land die toevallig had ontdekt dat er in Amsterdam werd gecricket. In welke van de twee matches het is gebeurd weet ik niet meer. Er stond een kapitein aan bat. De umpire aan het dode wicket was niet zo hoog. Deze ongelukkige moest .het oordeel vellen toen de bal een officiersbeen trof. Men zag hem aarzelen, maar toen klonk het oordeel: “Sorry Sir, out.” Wat deze wedstrijden vooral zo bijzonder maakte was het feit dat de Engelsen bijzonder vrijgevig waren met hun Players en Navy Cut sigaretten.
---- .
Op zekere dag stond ik te bowlen op de captain van de tegenpartij. Ik riep triomfantelijk: “How ’s that!” en prompt ging de hand van de umpire omhoog. Ik was er echt zeker van dat de bal geraakt en in de handen van onze keeper beland was. De umpire, van de tegenpartij, kennelijk ook. Tot mijn verbazing kwamen mijn point en wicketkeeper protesteren: de batsman had de bal echt niet geraakt. Zoals het hoort heb ik de umpire gevraagd of hij zijn beslissing wilde herzien. De umpire kon dat vriendelijke verzoek niet weigeren, De vijandelijke captain was niet meer uit te krijgen en we verloren. Dat is de prijs van sportiviteit… soms.
----
Een voorbeeld van sluwe onsportiviteit is mij jaren geleden verteld. De captain van het team waarin ik speelde was een echte oude rot in het vak, uiterst slim en gewiekst. Het verhaal gaat dat hij een enorme vuurpijl sloeg waarbij een bail van het wicket viel. Terwijl iedereen keek of de verwachte vang werd gemaakt, raapte de batsman snel de bail en plaatste die op het wicket. Tot afgrijzen van de veldpartij werd de vang gemist. Rustig zette de batsman zijn innings voort!
----
Of het altijd waar was, weet ik niet, maar er waren destijds clubs die een uitstekende bowler hadden altijd vergezeld van zijn eigen umpire. In sommige gevallen kwam enig wantrouwen bij zeer velen op. Maar natuurlijk zal ik geen namen noemen, het is trouwens al zo lang geleden.…
-----
Tot besluit het volgende. Ik weet niet of ik het al eens heb verteld, maar toen destijds de Meikevers CrIC hadden verlaten, waren er slechts betrekkelijk weinig senioren over en niet al te veel junioren. Ik dacht dat we het beste konden stoppen met CrIC. Het College vroeg mi evenwel, tot mijn verbazing, door te gaan met CrIC. Wij zouden op alle mogelijke manieren gesteund worden zowel door meer junioren te werven als het ons financieel makkelijk te maken. Dit alles vooropgesteld dat ik zou blijven. Natuurlijk besloot ik toen door te gaan. Financieel ging het College zo ver dat wij per seizoen slechts f 10,- hoefden te betalen. Had ik toen ‘Nee’ gezegd, CrIC zou in ’49 zijn gestorven… en het zou nooit tot een Hippo en bijgevolg ook nooit tot een Hippo-SGS zijn gekomen!
 

Ben Teeuwisse - 31-10-2011

----

Leuke reactie van Rob de Haas

Leuk stuk van Ben Teeuwisse!
Hij schrijft o.a. over Hein van Wermerskerken, oud VVV speler. Laat hij nou mijn peetoom zijn! Ik ben in 1943 geboren en Hein was een goede huisvriend van mijn ouders (Harry en Lucy de Haas) en werd prompt tot mijn peetoom gemaakt. Helaas heeft hij het einde van de oorlog niet gehaald. Uit verhalen hoorde ik, dat hij niets te eten had in de hongerwinter. Hij liet daar niets van merken en was te trots om hulp te vragen of aan te nemen. Zodoende heb ik hem nooit gekend. Van mijn ouders heb ik wel begrepen dat Hein een groot cricketer was geweest. In het jubileumboek 50-jaar VVV (1952) kom ik zijn naam veelvuldig tegen, vooral met prima bowlingprestaties.

Dit soort berichten geven je toch weer het goede cricketgevoel: ook mensen die 70 jaar geleden een cricketverhaal hadden blijken ook nu nog niet vergeten te zijn en zelfs in staat een oude band weer even op te halen!

Met vriendelijke groeten,
Rob de Haas - 20.11.2011


Duco Ohm schreef: Uit Thailand kregen wij een bijdrage van Jan Nefkens met de opmerking dat bij hem, na een lange periode van 40° C. , weer hard was gaan regenen. Veel actieve fraaie vogels in zijn tuin en een slang maakte van de gelegenheid gebruik om van jas te wisselen. Een grote slang zoals op de foto te zien is

(klik op de foto om deze groot weer te geven).

Hier komt :

Uit de Oude Doos van Jan Nefkens (10.03.2012)

Toen ik dat eerste verhaal had gelezen in de rubriek “Oude doos” was ik vol bewondering voor de schrijver, ene Ben Teeuwisse en ik dacht dat ik nog nooit van die man had gehoord. Ik keek in het SGS boekje en vond zijn naam daar en ik stuurde hem een email om hem te feliciteren met die mooie bijdrage. Nadat Ben had uitgevonden dat ik bij Sparta was begonnen met cricketen vroeg hij me of ik een heel goede vriend van hem had gekend t.w. Hans Sonneveld. En toen opende het verleden zich heel langzaam want deze Hans Sonneveld was een van een aantal spelers die van het cricket bij Sparta een heel speciale en haast romantische aangelegenheid maakten.

Toen ik als 12-jarige jongen bij Sparta mocht gaan voetballen had ik nog nooit van cricket gehoord. En de groep jongens met wie ik daar begon en waar Tinus Bosselaar en Andries van Dijk deel van uitmaakten ook niet. Ik was helemaal geen groot voetballer maar toen we later, misschien een jaar of zo bij het eerste mochten trainen, of misschien moet ik zeggen tegelijk met het eerste mochten trainen werd dat anders. Want tegen het voorjaar gingen een paar van die eerste elftal spelers trainen voor cricket.

Het was in de tijd dat Sparta goed speelde met Landman en Terlouw. Hans Wenneker, Arie van der Linde en Hans Sonneveld waren altijd heel trouw op die trainingen aanwezig en later kwam Harrie Meeken daar bij. Het enthousiasme waarmee die mensen trainden was zo aanstekelijk dat een deel van onze groep werd overgehaald om te komen spelen. Het werd eerst juniorencricket. Hermes DVS, Excelsior, VOC. Daarna invallen in het tweede en treinreizen naar Voorburg, Roggewoning, Quick Hg. etc.

Cricket werd op Sparta gespeeld op het veld achter de eretribune. Het was een klein veld maar zo mooi en zo special. Op Sparta waren twee broers terreinknecht. Cor en Karel Pieterse. Voor hen was het cricketveld hun visitekaartje. Hoe zij ieder jaar van een volkomen zwart-gespeeld veld een prachtige groene oase wisten te verwezenlijken is nog steeds een gesprekspunt.

Een pitch moest natuurlijk ook worden gelegd, het scoreboard en de witte boundery-borden geplaatst en dan zat je daar als team met supporters (vrouwen en kinderen) en scorers in die mooie hoek met boompjes en bloemen. Soms echter werd de stilte ruw verstoord als de toenmalige wicketkeeper Jan van den Avoort een appèl losliet. Nooit nadien heb ik iemand zo hard horen appelleren. En het appèl werd volledig uitgesproken, niet zoals je tegenwoordig vaak hoort.

Kort nadat ik lid was geworden emigreerde v.d. Avoort naar Afrika. Ik heb nooit met hem gespeeld maar ik kan me zijn appèls nog herinneren alsof het vandaag was. Onze captain was Roy Wilson die zeer geliefd was en ook altijd zijn vrouw meebracht en die ons jongetjes altijd op ons gemak probeerde te stellen. Wij spraken de spelers nog met meneer aan. Wij gingen wel altijd trainen. Dat was geweldig behalve wanneer Harry Meeken ballen naar ons begon te gooien om ons vangen te leren. Hij wilde ons alleen maar pijn doen leek het wel.

Van Hans Sonneveld herinner ik me nog dat zijn ballen altijd leken te snorren Van Lou de Bruin kan ik me herinneren dat zijn ballen voorbij waren voor je ze had kunnen slaan. Maar we waren natuurlijk nog maar klein. Jammer genoeg heb ik heel weinig kunnen spelen daar ik van 1954-1960 in het buitenland was. Maar wat te denken van onze lunches in het restaurant onder de hoofdtribune. De mooie gedekte lange tafel. Of van het drankje in de bestuurskamer na de wedstrijd. Ik heb na mijn terugkomst in 1960 nog een paar wedstrijden voor Sparta gespeeld maar had toen al een baan die regelmatig spelen of trainen onmogelijk maakte. Ik had toen een baan in Amsterdam en ben naar ACC overgestapt.

Iemand die Sparta uit de jaren ’50 kende, kende ook Dr. Vuilsteke. Deze man was altijd de belangrijke figuur als tegen SGS moest worden gespeeld. Sparta was dan altijd zo goed als volledig met eerste elftal spellers en vooral Lou Borrani wilde graag meedoen want bij SGS speelde Jan Offerman.

In de wedstrijd waar Jan Offerman 175 n.o. maakte mocht ik invallen voor iemand die niet kon komen. Een hele eer. Na afloop mocht ik mee om te gaan dineren ergens op de Binnenweg denk ik me te herinneren. Ik weet nog zo goed dat Jan Offerman me toen vertelde dat ik daar “Riz de veau” moest bestellen. Dat was de beste schotel die ze daar hadden. Ik had er toen nog nooit van gehoord.
Ik heb geen enkel bewijs meer van die tijd, dacht ik. De termieten in India hebben mijn bezittingen waarschijnlijk erg lekker gevonden. Maar na nog eens door diverse albums te speuren vond ik nog een foto van Sparta 1960 waarop ik wel maar Hans Sonneveld niet stond.

Jan Nefkens - 10 maart 2012

-------------------------------------------------------------------------------------

EP (Ernst-Pieter Knüpfer) reageerde op het artikel van Jan Nefkens

Ha Jan,

Ik heb echt genoten van je stukje over Sparta. Mijn vader kon als geen ander vertellen over de vroegere tijden en had een bijzonder goed geheugen. Dat moeten inderdaad bijzondere en mooie tijden zijn geweest. Cricketen op het veld naast het Kasteel en dat het feestelijke bijeen zijn na afloop. Vele tegenstanders van Sparta houden daar nu nog mooie herinneringen aan over. Ik heb als kleine jochie nog wel meegemaakt dat vaders op dat veld achter de Eretribune moest voetballen met het tiende (dat voornamelijk uit cricketers bestond) en dat vond ik toen al heel leuk. En dat we op het Kasteel, bij de administratie, op maandagavond de Sparta weekly, het clubblaadje voor Sparta cricket, maakten. Stencilavond noemden we dat.

Wij zijn eigenlijk groot gebracht op het cricketveld en overal waar we kwamen kende men de Knüpfertjes, zoals ik me kan herinneren Wim van Koten, die kleine Sparta umpire ons altijd noemde. Wat dat betreft had Sparta best een aantal goede umpires, Leen van Reeven, Hans Frenkel en genoemde Willem van Koten. En iedereen noemde je Oom, al zeiden we dat natuurlijk niet tegen de oude heer Rijnbende of de heer (Gerrit) Van Leeuwen, die zaten altijd keurig in pak langs de lijn, of zoals bij het voetbal de heer Kleingeld. Van Roy Wilson kregen we altijd een waterijsje. Bijzonder dat dat soort herinneringen je bijblijven, want ik praat nu toch over de (tweede helft)jaren '60. Goh, wat leuk eigenlijk om over die jeugdherinneringen te mijmeren en wat jammer dat die tijd nooit meer terug zal komen. Na afloop altijd een grote kring met de tegenstander en met de vrouwen van de spelers erbij. Wat was die tijd gezellig.

Zelf ben ik nog wel actief. Ik heb eerst bij Sparta nog een paar jaar in het eerste gecricket en ben in 1985 naar ACC gekomen. Heb daar ruim

20 jaar in het eerste gespeeld en ook veel in de Zami (zaterdagmiddag). Inmiddels sinds twee jaar uitsluitend nog Veteranen (2x kampioen), waar het batten me nog bijzonder goed afgaat. Vorig jaar nog 1 wedstrijd in het tweede gespeeld en toen maakte ik er toch ook nog 64, dus 't lukt me nog wel. En ik ben al bijna 10 jaar secretaris van ACC en voor komend seizoen ook manager van het eerste.

De betrokkenheid bij het cricket is er dus zeker nog. En ook de banden met Sparta zijn er uiteraard nog. Tot voor kort gingen we elk jaar nog op crickettour met de Sparta Veteranen (Peter van der Burg, Leo de Jong, Aad Spuy, Jaap van der Steen, Leo Hartog, Rene Pattinasarani om er een paar te noemen). Nu is dat omgezet in af en toe een paar daagjes golfen en dat bevalt eigenlijk ook heel goed.

Goed Jan, geniet van je oude dag en blijf de verrichtingen van SGS en ACC volgen via de websites.

Hartelijke groeten,
Ernst-Pieter - 15.03.2012


Vervolg op het verhaal over SPARTA (14.03.2012)

EP (Knüpfer) mailde als volgt

Ha Duco, Mooi stuk op de SGS site van Jan Nefkens, dat me bekend in de oren klinkt van de verhalen uit de overlevering. Echter, de naam Hans Solleveld moet natuurlijk wel heel snel veranderd worden in Hans Sonneveld (red.: hetgeen direct gedaan is), een technisch begaafd voetballer en dito cricketer die in beide takken van sport jaren lang in het eerste elftal van Sparta heeft gespeeld. Later ook een bekend bestuurslid, die furore maakte als hoofd scouting bij Sparta en daarmee pionier was in Nederland. Misschien is het aardig om aan Jan onderstaand stuk van Johan Derksen door te sturen, met voor hem ongetwijfeld nog meer bekende en spraakmakende namen uit het roemruchte Sparta verleden. Groet, EP

Duco vroeg Ernst-Pieter Knüpfer of onderstaand artikel geplaatst mocht worden op onze site, mede uit respect voor de oer Spartanen Arno Knüpfer, Harm Meeken, Max Grondhout en Klaas Vervelde en een hommage aan Sparta, cricket en voetbal.
Prompt een reactie van EP “Dat mag uiteraard. Hans Sonneveld is op 19 februari 2004 overleden, mijn vader op 10 augustus 2004. Klaas Vervelde, Hans Wenneker en Floor Bouwer zijn voor zover mij bekend de enigen van de echte oude Sparta garde die nog in leven zijn."

Hier dan het vervolg op het Sparta (cricket) van Jan Nefkens maar nu van de hand van Johan Derksen en toegespitst op Hans Sonneveld. Een kijkje achter de schermen bij Sparta voetbal.

---------------------

Bijna veertig jaar ervaring in het betaalde voetbal heeft me duidelijk gemaakt dat ik ongelimiteerd kan luisteren naar mensen die zinnig over het spel en eventuele randverschijnselen praten. Willem van Hanegem, Johan Cruijff, Co Adriaanse, dokter Rein Strikwerda, George Knobel, Arend van der Wel, Wiel Coerver, Gaston Sporre, Cor van der Gijp, Barry Hughes en Joop Brand kan ik eindeloos aanhoren. Ook oer-Spartaan Hans Sonneveld hoorde daarbij. Sonneveld was een onberispelijke heer van stand, every inch a gentleman. Maar tevens een voetbaldier, een man die inhoudelijk heel goed over voetbal kon praten, iemand met een duidelijke visie. Hij raakte er nooit over uitgesproken, publiceerde diverse boeken en kon helemaal niet meer kapot toen ik in zijn boek 50 Kasteeljaren over zijn scoutingbelevenissen las: ‘30 november 1975, rapport N23: Johnny Metgod, Haarlem. Rechtshalf, nummer 10. Sterke jongen, degelijk, goede pass en overzicht. Niet briljant, erg jong.

Opvallende spelers: Rob de Kip, linksbuiten, redelijk goed, en Johan Derksen, een behoorlijke linksback met goede linkertrap en vinnige tackle.’

Sonneveld ergerde zich altijd aan het gekrakeel van trainers die zelf nooit hadden gevoetbald. Dat deed hij op zijn eigen ingetogen en beschaafde wijze. ‘Ik heb mijn hele voetbalcarrière in het eerste elftal van Sparta gespeeld, altijd in de hoogste afdeling, maar ik heb geen trainersdiploma. Rob Baan heeft even in het derde elftal van Sparta gespeeld, hij heeft wél een trainersdiploma. Maar zou hij dan meer verstand van voetbal hebben dan ik?’

In de herfst van 1945 speelde Sparta de eerste na-oorlogse competitiewedstrijd tegen het Haarlem van sterspeler Kick Smit. De oorlog had voor Hans Sonneveld de definitieve doorbraak als voetballer ietwat vertraagd, maar na de bevrijding groeide hij in recordtempo uit tot een van de vedetten op Het Kasteel. Sparta won met 2-0 van Haarlem, Sonneveld scoorde en dat leverde hem een pakje Amerikaanse sigaretten op. Ondanks de overwinning toonde hij veel respect voor zijn tegenstander. ‘Wat een voetballer, wat een clubman! Kick Smit, de beste linksbinnen die ik ooit heb gezien. Hij kon alles, koppen, schieten, passen en zwoegen. Alleen was hij volkomen eenbenig, links als Ferenc Puskas.’

Sonneveld speelde op Het Kasteel met de legendarische Spartanen Piet Verheul, Tonnie van Ede, Lou Benningshof, Koos Verbeek, Jaap van de Water, Wim Landman, Rinus Terlouw, Tinus Bosselaar en Jacques Heyster.

Als een van de weinigen voelde hij niets voor profvoetbal. Hij was te veel Spartaan om geld te accepteren voor geleverde prestaties in het traditionele rood-wit gestreepte shirt. In verband met zijn werk verhuisde Sonneveld in het begin van de jaren vijftig naar Brabant.

Hij trainde bij Eindhoven, maar bleef Sparta trouw, zelfs toen zijn geliefde club in november 1954 beroepsvoetbal ging spelen. Sonneveld was er principieel op tegen, maar had begrip voor het standpunt van voorzitter Jos Coler, die de overstap noodzakelijk vond omdat betaling van voetballers niet langer tegen te houden was. Steeds meer spelers vertrokken naar buitenlandse profclubs en vooral in Brabant en Limburg werd al jaren grof betaald. Sonneveld: ‘Mij interesseerde het helemaal niet. Iedereen moest maar doen waar hij zin in had. Maar langzamerhand was ik er wel op gebrand om tegen die zogenaamde profs te voetballen.

Al die halleluja-verhalen over het niveau van de wilde profclubs, ik wilde weleens zien of ze beter waren dan wij.’ Sonneveld speelde nog twee jaar als amateur tussen de profs. Hij kwam nog uit voor het Nederlands amateurelftal, op 18 maart 1956 tegen Frankrijk, en voor De Zwaluwen, tegen Middlesex Wanderers. Sonneveld was nog even de gelouterde routinier tussen de jeugdige talenten Hans de Koning en Piet de Vries, voordat hij in 1956 afscheid nam als voetballer.

Vervolgens werd Sonneveld bestuurslid technische zaken en scout.

Sparta was in zijn tijd de eerste Nederlandse club die de waarde van scouting inzag en Sonneveld was de eerste scout die internationaal opereerde. Hij haalde de Spanjaard José Vidal van het grote Real Madrid naar Spangen, evenals de Deense midvoor Ole Madsen, de Ier Johnny Crossan en later Jørgen Kristensen, Janusz Kowalik en Willy Kreuz. Sonneveld zag Johan Neeskens bij RCH schitteren, maar Ajax was hem voor, en hij slaagde er ook niet in Jan Mulder naar Sparta te krijgen. ‘Op 1 maart 1963 ging ik naar Coevorden, naar de wedstrijd tussen Germanicus en WVV om Jan Mulder te bekijken. Hij deelde uitstekende passes uit, maar van zijn productiviteit zag ik niet veel.

Zijn techniek, balcontrole en koptechniek waren goed, hij was tweebenig, al nam hij de vrije trappen en corners met zijn rechterbeen. Hij speelde veel direct, maar ook met trucs. Ik was nog niet overtuigd, ik wilde hem nog een paar keer aan het werk zien.

Vervolgens is trainer Bill Thompson hem drie keer gaan bekijken. Hij vond Jan Mulder volkomen ongeschikt voor Sparta. Toch ging ik op 16 december 1964 met de trein naar Leeuwarden om hem in het Nederlands amateurelftal aan het werk te zien. Daar ontdekte ik Jacques Roggeveen van CVV. Jan Mulder was echter het grootste talent. Anderlecht loste het confict tussen de trainer en mij op door Jan Mulder te contracteren.’ Vervolgens wist Sonneveld wel Emmen-keeper Jan van Beveren vast te leggen.

In Limburg ontdekte Sonneveld de jeugdige Willy Dullens, maar de eigenwijze Bill Thompson gaf de voorkeur aan Jan Klijnjan van DFC, terwijl de bij OSV gescoute Rob Rensenbrink voor DWS koos. Op 9 december 1973 viel het oog van Sonneveld bij het Duitse Wattenscheid op middenvelder Hannes Bongartz. ‘Hij was volgens mij een mix van Piet Keizer en Günter Netzer. Op 3 februari 1974 ontdekte ik Manfred Burgsmüller; tweebenig, redelijk snel en technisch goed. Die jongens konden we echter vergeten, want tegen de Duitse handgelden was Sparta niet opgewassen. Dat hadden we eerder al meegemaakt toen we een paar Denen wilden aantrekken. Toch bleef ik zoeken. In Aken zag ik Kalle Del’Haye, een rechterspits, maar ook hij was al te duur.’

Sparta verplaatste de aandacht naar Engeland. Sonneveld ging praten met zijn Engelse contacten en kwam terug in Rotterdam met drie namen:

Terry Lees, Ray Clarke en Tony Woodcock. Nadat Lees en Clarke een contract tekenden, wilde het Sparta-bestuur geen derde Engelse speler.

Maar uitgerekend Woodcock zou later international worden. Stuart Parker van Blackpool was een miskoop, maar Trevor Whymark functioneerde uitstekend bij Sparta. De volgende Engelsman moest Alan Ainscow worden, maar trainer Mircea Petescu kwam met een andere naam.

Hij wilde Louis van Gaal. Sonneveld: ‘Ik heb hem een keer bekeken. Hij was technisch goed, had voldoende ervaring, maar hij was wat langzaam voor een aanvallende middenvelder.’

Hans Sonneveld kon boeiend vertellen over zijn avonturen langs de velden. De speurtocht naar talentvolle voetballers voor zijn grote liefde Sparta was zijn levenswerk, zijn obsessie. Hij speelde voetbal en cricket op topniveau, was beleidsbepaler en scout. En amateur in hart en nieren. Hij was op zijn plaats bij het ietwat elitaire Sparta, tussen de intussen gedateerde klassieke bobo’s op het ereterras. Hij overleed op tachtigjarige leeftijd.

Johan Derksen


VVV in de vijftiger jaren - een verhaal van Rob de Haas

In zijn artikelen in de rubriek UIT DE OUDE DOOS heeft Ben Teeuwisse al diverse herinneringen en anekdotes over V.V.V. opgehaald.
Aangezien V.V.V. een dominante rol in mijn jeugd heeft gespeeld, ben ik eens in mijn herinneringen en archief gedoken en doe ik hier verslag van.
Ik beschik niet over een compleet archief met wedstrijduitslagen, scores e.d.. Onderstaand relaas is dan ook niet meer dan een beschrijving van de club in die tijd, door mijn ogen. Het geeft wellicht toch aardig de sfeer van deze echte familieclub weer.

Met dank aan Lex Bouwes, Bas de Gaay Fortman , Hans Dukker en mijn zus Edith voor de correcties en
                                       aanvullingen!

Een paar eerste reacties:
Lex Bouwes: Tjonge, dat begint al aardig op een boek te lijken! Leuk voor VVVers en hopelijk ook voor anderen die toch iets herkennen.
Bas de Gaay Fortman: Een mooi stukje geschiedenis.
Hans Dukker: Bij het lezen van je “verslag” komen er ook bij mij vele herinneringen naar boven.

Voor het complete , geïllustreerde verhaal: open het pdf-bestand HIER.

Rob de Haas, 6 februari 2012


Verhalen uit de oude doos van Ton Balk (januari 2012)

Mijn vader werd omstreeks 1910 lid van A.F.C.. De dochtervereniging A.C.C. werd in 1921 opgericht, ik in 1927.
Een en ander leidde er toe dat ik vóór en in de oorlog regelmatig met mijn vader op de zondagen op de sportvelden aan de Zuidelijke Wandelweg aanwezig was. A.C.C. speelde ’s zomers op het “Tweede Veld” van de voetbalclub. Achter het derde veld stond aanvankelijk de cricketkooi waar ik de cracks van A.C.C. kon zien oefenen. Mannen als vader en zoon Piet Sanders, de topvoetballer en cricket allrounder Charles Lungen, Dick de Baare, Wally van Weelde, Lou van Kranendonk, de broers Immig en Prent, Willem Staats en nog een heleboel anderen. Dat alles onder het toeziend oog van terreinknecht Dirk en zijn altijd lawaai makend werkpaard, die samen de terreinen in orde moesten houden.
Dat was vaak moeilijk in de maand mei. De voetballers en cricketers wilden dan tegelijkertijd het Tweede Veld bezetten en bovendien moest in het voorjaar het dikwijls afgetrapte, voor een deel zwart geworden veld worden omgetoverd tot een aanvaardbare cricketground. Maar gelukkig konden wij het veld van de Twentse Bank gebruiken als reserveveld.

In 1941 werd ik lid van A.C.C..
Eerder was ik al als scorer bezig. De toenmalige gezaghebbende voorzitter van de N.D.C.B. (Nederlandsche Dames Cricket Bond), mevrouw Sabelson, had mij niet zonder bijbedoelingen vertrouwd gemaakt met de geheimen van het scoringboek.
Ook had ik toen al een verleden in de cricketstad Schiedam door logeerpartijen bij mijn neef Victor. We speelden daar cricket met tennisballen en zelfgemaakte bats met jongens uit de buurt op door de crisisjaren ongebruikt gebleven bouwterreintjes. Hoogtepunten waren natuurlijk de bezoeken van wedstrijden op het toenmalige veld van Hermes D.V.S. Er werd daar vanwege de geringe omvang van het veld van één kant gebowled en de zessen vlogen nog al eens hoog tegen de gevels van de huizen van de Damlaan.

In de oorlogsjaren waren er voor mij verschillende mogelijkheden om te cricketen. De eerste was natuurlijk het juniorenteam op woensdagmiddag. Alle leeftijden tot 18 jaar bij elkaar. Ik speelde toen met de broers Van Weelde, Schatens, Van der Hurk, met Pierre Eskes, Hans Schooneveldt, George Zeegers, Herbert Kuyper, Wim Feldmann, Fred van Soomeren en vele anderen. Onze belangrijkste concurrent was meestal Cr.I.C. met o.a. Ben Teeuwisse, Ad Kooyman, Ton Santen, Bert van der Heijden, Fons Pelser, Lou van Adrichem, Frans van der Liet, Piet van Outersterp, Berry Nooy, Ton de Haan, de gebroeders Schoordijk en Klinkhamer, enz.
Samengevat: altijd spannende wedstrijden! Hoogtepunten van het jaar waren de toen ook al plaats vindende Flamingo Juniores toernooien. A.C.C. was daarbij steeds van de partij.
De Amsterdamse Cricket Bond organiseerde voor de zaterdagmiddagen een competitie waaraan behalve teams van V.R.A., V.V.V., Cr.I.C. en A.C.C. z.g. kantoorelftallen meededen. Ik herinner me de teams Amsterda ( Amsterdamse Bank ), Robaver ( Rotterdamse Bank ), Deneba ( Nederlandse Bank ), Twentse Bank, Nehamij ( Nederlandse Handel Maatschappij ), K.N.S.M., Rood Zwart ( Gemeente Amsterdam ) en P.S.Z. ( Personeel Sociale Zaken ).
Bij A.C.C. werd het elftal het “Heerenteam” genoemd. Het stond geruime tijd onder leiding van Mr. Fred Sabelson ( tevens onze voorzitter ). Meestal kwam een aantal Heeren niet opdagen. Dan stonden altijd juniores klaar om in te vallen. En als dat niet lukte kon je vaak ook wel bij de tegenpartij invallen. Een bijzondere cricketcompetitie voor “amateurs” . De A.C.C.-wedstrijden werden meestal op uitvoerige en originele manier beschreven in de voortreffelijke “A.C.C.-pitch” ( redacteur Mr. Arnold Eysvogel ). De auteur onder de naam “Arend” was jarenlang medespeler Arie Waayer.
Ook voor de zondagen gold dat je als junior-speler dikwijls op het laatste moment een invallersplaats kon innemen. Als je wilde was het dus wel mogelijk om drie maal per week te cricketen!

Intussen was het eerste elftal van A.C.C. na een kampioenschap in de Overgangsklasse in 1939 gepromoveerd naar de hoogste cricketafdeling. In 1940 volgde opnieuw een kampioenschap, ditmaal van een in verband met de oorlogsomstandigheden georganiseerde “noodcompetitie”. Ik herinner me wedstrijden in dat jaar met topprestaties van de bowlers vader Piet Sanders ( spinnende legbreaks afgewisseld met pittige offbraeks ) en zoon Piet Sanders ( constante fastbowler op of net buiten de off stump – met minstens 4 man in de slips natuurlijk ). Dikwijls bowlden zij unchanged. Dat mocht toen nog. Mede daardoor waren de totalen aanzienlijk lager dan nu. Een overwinning “met innings” was toen ook nog regelmatig aan de orde. Andere tijden dus.
Een lange periode van topprestaties van het sterke A.C.C.1 was toen aan de gang. Minder sterke spelers als Ton Balk moesten het zoeken in het tweede of derde elftal. Dat gebeurde overigens met veel plezier. Ik speelde onder captains als Lou Woudstra Sr., Piet Sanders Sr., Dick Disselkoen, Piet Nauta, Dick Van Gemen en Jan Hendriks. Later volgde voor mij A.C.C.4 waar ik gedurende 15 jaar captain mocht zijn van het z.g. opleidingselftal. De formule daarvan was 3 of 4 ouderen met 7 of 8 jongens “in opleiding”. Tot de ouderen behoorden o.a. Harry Scheepstra, Pim Schatens, Karel Prior, Ton de Haan, Ernst Offerman en Max de Bruin Sr..

Om volledig te zijn over mijn cricketverleden moet ik nog melding maken van de wedstrijdenseries ( kort na de oorlog ) van teams van studenten van de verschillende universiteiten. Het Amsterdamse studententeam stond onder leiding van Harry Peschar. Ik mocht als jongerejaars de secretarisfunctie van het team vervullen. Ook speelde ik in die tijd wedstrijden in het touringteam “The Grubbers”. Voornamelijk leden van Kampong deden daar aan mee. Ik denk aan de broers De Waard ( 3x ), Van Esveld ( 2x ), Hardebol ( 2x ), Henk de Ruiter, Frank Kramer en Loet Clarenburg. Wij reisden in die tijd verschillende keren helemaal naar Tilburg, Breda, Nijmegen, Arnhem, Deventer en Enschede. Buitenlandse trips waren toen nog niet aan bod.
Op mijn 50ste stopte ik als actief cricketer. Daarvoor in de plaats: umpiren en kijken naar de prestaties van de zonen Roelof en Jan, dikwijls zorgvuldig geregistreerd door scoorster dochter Marleen.

Van groot belang voor een “loopbaan” als cricketer zijn natuurlijk degenen die het organisatorisch mogelijk maken.
Bij A.C.C. speelde op dat vlak vanaf de jaren ’30 lange tijd Willem Staats een belangrijke rol. Vooral in de oorlogsjaren -- geen invoer van materiaal uit Engeland - moest bijvoorbeeld veel worden gedaan aan reparatie van bats, legguards, handschoenen, enz. . Dat gebeurde in de wintermaanden in zijn etablissement op het Rembrandtplein, waar al het cricketmateriaal in een fraaie ruimte op één hoog met uitzicht op het toen rustige plein was opgeslagen. Wij werden als jongens ingeschakeld om hem daarbij te helpen. Wellicht in relatie met mijn ervaringen daarmee werd ik in 1948 als commissaris van materiaal in het bestuur van A.C.C. opgenomen. Dat duurde maar één jaar. Militaire dienst maakte er een einde aan.
Ook mocht ik in die tijd secretaris Eysvogel in het bij hem thuis – Valeriusstraat 6 – gevestigde advocatenkantoor helpen bij het noteren van de jaarprestaties van de elftallen. In een groot boek werd alles met de hand genoteerd. En daarna de gemiddelden uitrekenen!

Heel wat jaren later, het was inmiddels 1988, werd me gevraagd om penningmeester te worden van de K.N.C.B.. Dat had kennelijk te maken met het feit dat ik toen mijn werk in een aanverwant beroep net had afgerond. Het werd voor mij na een moeilijk begin met “lijken in de kast” een uiterst plezierige aangelegenheid in een bijzonder professioneel werkend bestuur onder leiding van Steven van Hoogstraten. Ook de contacten met de Financiële Commissie van de K.N.C.B. onder leiding van Harry Peschar heb ik erg positief gevonden.
Een belangrijk evenement in die jaren was het organiseren van het I.C.C.-toernooi in Nederland met veel landenteams. Dat liep, ondanks nog al wat trammelant met het I.C.C.-bestuur, uitstekend, vooral dankzij de “projectleider” van dat toernooi, Jan Wilts. Tijdens het slotdiner in de Pieterskerk in Leiden deed zich een probleempje voor. Doordat verschillende deelnemers met twee maaltijden aan de haal gingen bleken de laatste tafels het zonder te moeten stellen. Het kostte de nodige moeite om een aanvaarbare oplossing te vinden!
In 1993 kwam er een einde aan mijn penningmeesterschap. Door problemen met de opvolging werd ik in 1994 gevraagd opnieuw penningmeester te worden. Ik heb dat toen niet gedaan maar ik heb wel nog weer vijf jaar het financiële werk van het bestuur gedaan. Dat was dankzij de hulp van Alex de la Mar en Tecla Wilts, ondanks de toenemende bureaucratisering in de subsidieregelgeving door NOC/NSF en het desbetreffende ministerie, opnieuw een plezierige aangelegenheid.

Ton Balk, januari 2012


Uit de fotodoos van Ernst Offerman (15.03.2012)

Toen ik Ernst vroeg of hij soms foto’s had bij het verhaal over de Offermannen in Limburg gingen Ernst en Emilie voor mij zoeken en er kwamen wat interessante zaken te voorschijn…….

51 jaar geleden……

21 juni 1960 op VOC  ;  22 SGS-ers eren Jan Offerman die trots in het midden staat.
Op die dag bestond zijn record batten (240 not out) 25 jaar en was hij tevens 50 jaar actief cricketer.

Hieronder de foto van die bijzondere dag.

 

Om zijn grote en complete bijdrage met veel foto's te zien,
klik dan HIER.

Het pdf-document zal dan openen.

Klik op de foto en deze wordt groot geopend waardoor alle details zichtbaar worden.

 

 

 

 


 

 

 

Staand v.l.n.r.:  1. Hans van Everdingen (vrz. VOC), 2. I. van Herwaarden. 3. C.A. Lobry de Bruyn, 4.???, 5. Joop Uiterwaal ,
6. A.F.H. Lobry de Bryun, 7. Dolf v.d.Ende, 8. Jan Offerman, 9. F. Konert ??, 10. Aad Roos, 11. Met pet ??, 12. Piet van der Wolf,
13. Guust Nolet, 14. Jopie de Bruin, 15.H.Th. Chabot, 16. Frans Kramer Sr., 17. J.A. van Santwijk, 18. ??? , 19. G. Kappelhoff,
20. Roel Senus,

Zittend v.l.n.r.: 21. Piet Freni, 22 Jaap Lantinga, 23. Gerrie Stallman, 24. Frits Meijer

Als u een naam weet bij een geel vlakje c.q. een naam kunt bevestigen hoort Maarten Ingelse dat graag van u.


Geni Pino, een markant lid uit de zeventiger jaren” (1612.2011)

De oudere SGS-ers zullen zich, net als ik, deze speciale man nog wel herinneren. Altijd dominant aanwezig bij de SGS wedstrijden en altijd met een stralende lach en een goed humeur. Via Willy van Nierop kreeg ik de afscheidsspeech van de dochter van Eti Pala, bij het overlijden van Geni, in handen en meen dat die in onze rubriek “Verhalen uit de Oude Doos” past.

“Wij zijn reizigers op de oneindige rivier van het leven.

Geni heeft een boeiend en vol leven geleid. Een aantal punten: sport, reizen, de lions, een jenevertje op zijn tijd en altijd humor. Hij heeft veel van zijn leven gemaakt en is vrijwel tot het laatst actief geweest. ‘I did it my way’ was op Geni in het bijzonder van toepassing. Een man met karakter die niet altijd gemakkelijk was voor zichzelf en soms ook niet voor zijn omgeving. Hij wist wat hij wilde en stond daarvoor.

Geni heb ik leren kennen toen hij nog met Pop getrouwd was. Zij heeft hem, veel te jong, verlaten. Het was een gelukkig huwelijk en hij is haar nooit vergeten.
Hij was de levensgezel van mijn moeder, een vriendin die hij al langer kende. Ze hadden eigenlijk een LAT relatie avant la lettre. Samen reisden ze veel, traden op, hij goochelend en zij zingend, ze gingen uit, en uit eten, deelden elkaars leven en hadden vooral veel plezier met elkaar.

Als ik aan Geni denk, denk ik aan een clown in de piste van het wereld circus. Reizend, zich overal ter wereld thuis voelend, met veel gevarieerd publiek. Zelf had hij geen kinderen maar kleine kinderen vonden hem leuk, vooral als hij spelden uit hun hoofd toverde of kaarten uit de mouw van zijn jas. Volwassenen waren graag in zijn omgeving vanwege zijn enorm gevoel voor humor en zijn optimistische levensinstelling.

De wereld om hem heen veranderde. Vrienden vielen weg, bekende plekjes veranderden, de mentaliteit van de mensen was niet meer zoals vroeger. Zelf zei hij vaak dat de wereld steeds minder de zijne was en dat hij er zich steeds minder in thuis voelde.

Het is jammer dat hij niet heeft kunnen genieten van zijn flat in Bilthoven. Hij voelde er zich nog lang niet thuis na jaren in Utrecht gewoond te hebben. Het gewenningsproces is echter abrupt onderbroken door zijn ziekbed en overlijden.“

Geni Pino speelde tussen 1960 en 1980 ruim 200 wedstrijden en was een echte all-rounder:
hij scoorde 3065 runs met als hoogste score 77* , bowlde bijna 600 overs en nam 107 wickets voor 1958 runs; als fielder hield hij 82 vangen vast.

Pino was een lid, dat ik niet snel kan vergeten.

Duco Ohm - 16.12.2011


40 jaar cricket in Limburg ; 1930 – 1970 door Theo Offerman (26.11.2011)

Pierre Offerman Sr., oud Hermes-D.V.S.-er, verhuisde rond 1925 naar Venlo. Hij kwam bij bezoeken aan Hotel Germania in contact met een vriendenclub van Venlose zakenlieden, bestuursleden en oud voetballers van de Venlose Voetbal Vereniging V.V.V., destijds 2e klasse K.N.V.B.

Door zijn enthousiasme wist hij hen te interesseren in cricket. Zo vertelde hij hoe Jan Offerman, zijn broer, de zessen door de ruiten sloeg en hoe hij met zijn broers Jan, Frans, Harry en Tonny hele dagen op het cricketveld van Hermes D.V.S. doorbracht. Na zijn vertrek uit Schiedam was hij in Utrecht bij U.V.V. en Kampong door blijven cricketen. Het resulteerde in ieder geval hierin dat men rond 1930 in Venlo met cricket begon op “De Kraal”, een complex waarvan eigenaar van der Weijden naast een paar sportvelden er ook een kippenkraal op na hield.

De terreinen waren verhuurd aan V.V.V. Er moest op het tweede veld van V.V.V. gecricket worden omdat midden op het eerste veld geen pitch gegraven mocht worden. Tot ongeveer 1935 werd op dat tweede veld gespeeld. Dit terrein was aan twee zijden omringd door rabarbervelden, zodat de bounderies uit die rabarbervelden gezocht moesten worden. (lost ball).

In die beginjaren kwam meerdere malen een touringteam van de Flamingo’s naar Venlo om in het Zuiden propaganda voor cricket te maken. Later volgden meer kamperende zomer-elftallen van de Oehoe’s uit Haarlem onder leiding van Drs. Kleefstra.

De Venlose Cricketclub speelde onder de naam V.C.C. in de 2e klasse Oost van de Nederlandse Cricketbond, ingedeeld in e4e afdeling met H.T.C.C., Eindhoven, Tilburg, C.C.A. Arnhem (met Dr. Van Erp Taalman Kip), Quick 2 uit Nijmegen, Cricketclub Nijmegen onder Pater Tonino van het St. Canisiuscollege, U.D. 2 uit Deventer en P.W. 2 uit Enschede.

In die eerste jaren waren de voornaamste spelers van V.C.C.: Pierre Offerman Sr. captain en bowler, Matthieu en Leo van Gasselt, Wim Klarenbeek bowler, Hoebie Tax voetballer V.V.V. , Flip Tichelman wicketkeeper en dansleraar, Matthieu van Grinsven fastbowler en Theo Buskes die zo’n beetje de financier van de club was.

Vanaf ongeveer 1936 mocht op het hoofdveld van V.V.V. gecricket worden maar dat duurde niet lang, misschien twee jaar, want na 1938 kwam onder druk van de dreigende oorlogsomstandigheden, (Chamberlain naar Munchen en grenswacht mobilisatie) het cricket bij V.V.V. stil te liggen, het cricketveld lag n.l. direct aan de Duitse grens bij Kaldenkirchen.

Toch nog in 1938 werd het cricket weer opgenomen door de opkomende jeugd, die veelal hockey speelde bij de Venlose Katholieke Hockeyclub V.K.H., waarvan zoon Pierre Jr. secretaris was. De cricketmat en -kist werden opgehaald bi “De Kraal” en er werd een pitch gegraven op het hockeyveld van V.K.H. aan de Onderste Molen”. Het typische van dit veld was de vrij dichte ligging bij zandafgravingen en een behoorlijke zandheuvel aan een lange zijde. Dit intrigeerde onze gasten,
omdat iedereen er een bal op dacht te kunnen slaan, hetgeen zelden of nooit lukte.

Een voordeel van dit terrein aan “De Onderste Molen” was dat er een mooi restaurant en zwembad bij lag, wat gezellig was bij ontvangst van gasten. (en voor de 3e innings!). Er bleef gespeeld worden onder naam Venlose Cricket club V.C.C.in de 2e klasse Oost van de N.C.B.. Evenals op “De Kraal” werd ook hier een oefenkooi opgebouwd uit verschillende dennenstammetjes met daartussen kippengaas.
Het verjongde cricketteam bestond hoofdzakelijk uit onze oude crack Pierre Offerman sr., captain en bowler, Theo en Hans Offerman eveneens break-bowlers en Jac Rijven, Hammie Donnee en Emile Linssen als behoorlijke fast-bowlers, Michel Reijntjes en als gelegenheidsspelers Paul, Pierre en Joop Offerman, de “staart ”werd meestal gevormd door één of meerdere hockeyers.

Bij het uitbreken van de Tweede Wereldoorlog (1940-1945), kwam het cricket in Venlo op een laag pitje te staan, mede ook onder invloed van het feit dat Theo Offerman, secretaris van de Cricketclub. In 1941 zijn studie Frans aan de Universiteit van Amsterdam ging vervolgen.

Theo zelf had in Amsterdam het geluk dat hij via de Heer Scheepstra, die hij in Venlo bij een wedstrijd
tegen de Flamingo’s had ontmoet, bij A.C.C. aan de Zuidelijke Wandelweg in het derde team kon spelen. Dit eindigde in 1943 toen hij als student door de Grüne Polizei werd opgepakt en naar het concentratiekamp in Vught werd overgebracht. Inmiddels lag het cricket in Limburg geheel stil.

Rond 1950 staken enige oud hockey-cricketers de koppen weer bij elkaar, waaronder Emile Linssen,
wiens broer secretaris was van de andere hockeyclub in Venlo, de Venlose Hockey Club V.H.C.
Deze boekte in die jaren grote successen in de 1e klasse van de Nederlandse Hockeybond met de gebroeders Willy, Hans en Piet Nefkens, en werden zelfs kampioen van Nederland.

De leiding van V.H.C. voelde er veel voor het prestigieuze cricket onder haar vaandel te krijgen, en zo bloeide het cricket voor de derde maal op in Venlo, maar nu aan de andere kant van de stad op de Heringerberh, ook aan de Duitse grens. Bij V.H.C. hadden wij het geluk dat een vaste pitch aangelegd kon worden tussen twee hockeyvelden. Gedurende een jaar of twee speelden wij de cricketcompetitie wederom in de 2e klasse Oost.

In 1955 kreeg Theo Offerman een betrekking bij de Studiecommissie van de Nederlandse Antillen in den Haag. Wel wipte hij af en toe even over om een cricketwedstrijd met V.C.C. mee te spelen, maar toen Theo in 1957 via Jan Heiligers bij de Roggewoning in Wassenaar terecht kwam, hield dit ook op en stierf het cricket in Venlo langzaam uit.

Tot 1961 speelde Theo bij de Roggewoning . In dat jaar leerde hij in Maastricht een meisje Ange Baeten kennen, waarmee hij trouwde en in Heerlen ging wonen. In 1963 werd hij Directeur van de Stichting Studiefonds Limburg in Maastricht.
In 1967 las hij op zekere dag in het Limburgs Dagblad, dat de Heerlense Hockey Club een Cricketafdeling ging oprichten onder instigatie van Engelse cricketers die bij Afcent in Brunssum gelegerd waren.

Theo nam onmiddellijk contact op want het oude cricketbloed roerde zich weer. Het bleek dat het initiatief voor cricket bij de Heerlense Hockey Club was uitgegaan van de Heer Duijf, die Theo regelmatig ontmoet had bij de Arnhemse Cricketclub C.C.A. onder Dr. Van Erp Taalman Kip, die nu als tandarts in Heerlen gevestigd was.

Duijf was een vinnige off-break bowler. Met twee enthousiaste Engelse cricketers van Afcent, waarvan er één een goede fast-bowler was, Theo als leg-breakbowler en een staart van hockeyers was spoedig een cricketafdeling gevormd. Memorabel uit de Heerlense tijd was een wedstrijd tegen een volledig Engels Afcent-elftal uit Brussel. Toen Afcent uit Brussum vertrok was het helaas gauw met cricket in Heerlen en in Limburg gedaan; het was toen ongeveer 1970.

Het is nog interessant te vermelden dat wijzelf bij het cricket in Limburg veel genoegen hebben beleefd net het door oud Hermescrack jan Offerman in 1960 geschreven werkje “Productiever en aantrekkelijker Cricket, met runs in korte tijd, 50 jaar actief cricket 1910-1960”, met aanvullingen van Manus Stolk en Wally van Weelde.
Verder is ook vermeldenswaard dat oom Jan Offerman vanuit Den Haag in 1947 een cricketmatch organiseerde tussen U.V.V. Utrecht en het Offerman-elftal, waarin wij overigens twee niet-Offermannen van V.C.C. Venlo hadden binnengesmokkeld en waarin als Hermes veteranen meespeelden: Oom Jan als captain, Oom Frans, Oom Harry, Oom Tonny en vader Pierre.

Niettegenstaande de inzet van een crack als Jan Offerman bleef de score bedroevend lag. Wij zaten voor naar ik meen 40 armoedige runs aan de kant. Dit nam niet weg dat Oom Jan over de wedstrijd tegen U.V.V. toch via een der Hilversumse omroepen een radio verslag wist te regelen.

Theo Offerman, Maastricht 1997 (26.11.2011)

Naschrift van Leo Heinsbroek:
De hierboven genoemde Manus Stolk, die ik wel eens in onze parochiekerk in Schiedam ontmoette, is vorig jaar overleden, na enkele jaren als Alzheimer-patiënt verpleegd te zijn geweest.