Still Going Strong Cricket Club
Verhalen
uit "De Oude
Doos"
(op verzoek is het lettertype sterk vergroot !)
VRAAG VAN ONZE VOORZITTER
Wij
hebben gelukkig nogal wat positieve reacties en vooral bijdragen ontvangen voor
deze nieuwe rubriek op onze site.
Nu is het even stil en spreek ik de hoop uit dat er spoedig
stukjes/artikelen/bijdragen van onze (vooral oudere) leden zullen verschijnen.
Wie is de volgende SGS'er die een stuk(je) geschiedenis schrijft ? Wie klimt er
in de pen of gaat er eens voor achter de PC zitten?
Ik ben
benieuwd.
Duco
Ohm - 18.4.2012
|
Nog meer uit
de oude doos van Ben Teeuwisse
(15.03.2012)
Links:
Ben op de foto te midden van ‘zijn’ Hippo vrinden.
De foto opent groot door erop te klikken en kan worden gedownload
Als je
eenmaal begint te woelen in het oude brein, komen er aldoor nieuwe herinneringen
op. Ook mijn regelmatige, telefonische contact met de door Rob de Haas al
genoemde VVV-er Lex Bouwes helpt daarbij. Met Lex zat ik destijds in het bestuur
van de ACB. Toen ik in 1960 naar Eindhoven verhuisde ontdekte ik dat hij daar al
woonde. Sindsdien zijn wij in contact gebleven, zij het nu door telefoon en
e-mail.
---------------------------------------------------------------------------------------------
Als je
een maal bezig bent over het verleden dan kijk je vooral naar de verschillen
tussen toen en nu. Toen mijn gedachten terug gingen naar de eerste oorlogsjaren,
kwam ik op enkele wedstrijden tegen Rood en Wit. We reisden niet per openbaar
vervoer, maar op de fiets. We speelden niet alleen in De Hout, tijdens het
jubileum van Rood en Wit waar ik eerder over geschreven heb, maar ook een keer
in Bloemendaal. We konden toen om een of andere reden niet op het aloude terrein
van de Koninklijke HFC terecht. Tegenwoordig is er ander transport beschikbaar.
Het leek mij wel interessant voor de lezers van nu dit te vermelden.
---------------------------------------------------------------------------------------------------------------------
De eerste tweedaagse
Het moet in 1946 geweest zijn dat wij, met het jonge CrIC, dat zijn intrede had
gedaan in de zondagcompetitie van de toen nog NCB, onze vleugels zogezegd
uitsloegen. Ondernemend als we waren, hadden wij een tweedaagse afgesproken met
Kampong We zouden op de eerste dag (door de week) spelen tegen het Utrechts
Jeugdelftal en de volgende dag tegen Kampong.
Er was ons verzekerd dat er voor slaapgelegenheid zou worden gezorgd. Toch bleef
het wel een avontuur: we moesten niet alleen iets van nachtkleding maar ook van
voedsel voor die dagen meenemen. De bag moest trouwens ook mee! Er was toen nog
veel op de bon en behalve op thee hoefden wij, wat consumpties of eten betreft,
op niet veel te rekenen. Ik denk dat er destijds geen winkels, laat staat
supermarkten erg dicht bij het veld te vinden waren. Trouwens, supermarkten
bestonden toen niet eens.
Na de wedstrijd tegen de jeugd van Utrecht, die we wonnen, werd ons een
kleedlokaal aangewezen. Daar aangekomen bleek ons bedje gespreid: er was
rijkelijk stro gespreid! Bovendien was er water (warm (?) en koud ). Het was
niet wat we verwacht hadden , maar kennelijk waren we destijds meer aan
ontberingen gewend dan thans. Van de junioren wonnen wij, de uitslag van de dag
erna weet ik niet meer, maar ik herinner mij wel dat een ouder (dan wij
tenminste) Kamponglid ons uit mededogen, met zijn auto naar het station bracht.
Achteraf bezien denk ik dat het Gerard Eijkelboom moet zijn geweest.
Eén keer
heb ik meegespeeld in het Flamingo Juniorentornooi 1941 en wel in het VVV-team.
CrIC zou pas later gaan deelnemen. Na mijn eindexamen in dat jaar zou ik toch
naar VVV gaan. De aanvoerder van dat team was Pim Tholen, zoon van de
gelijknamige cabaretier. die met ene Van Lier een populair duo vormde.
Op zeker ogenblik nam Pim de bal ter hand. en hij zette mij ergens tussen mid-on
en silly mid-on. De man aan bat was een geduchte hitter, zoals we merkten. En
zeker ik merkte dat want al gauw kwam er een raket hoofdhoog langs mij..
Natuurlijk stak ik mijn linker hand uit. De bal was te hard om te vangen - ik
was al blij dat mijn hand er nog aan zat – maar, o wondert!, de bal sprong van
mijn hand in een boogje naar de bowler. Hij hoefde geen stap te
verzetten…Helaas, hij was zo verbouwereerd dat de bal uit zijn vingers glipte….
---------------------------------------------------------------------------------------------------------------------
In 1941
werd ik voor het eerst uitgenodigd voor het Amsterdams-Utrechtse jeugdelftal dat
in Bilthoven zou aantreden tegen Rotterdam-Schiedam. In het bericht stond dat de
reiskosten zouden worden betaald. We verzamelden in het Amstelstation. Tot mijn
schrik bleek daar dat ik zelf een kaartje moest kopen. Nu had ik maar heel
weinig geld bij mij, niet genoeg voor een kaartje. Gelukkig was Cees Slagter
daar en hij leende mij het geld.
Rotterdam-Schiedam ging eerst aan bat en kwam tot 112 runs.
Een Utrechtse speler was captain en hij ging, in overleg met enkele Utrechters
en Amsterdammers de order of going in invullen. Ik was voor de Utrechtenaren een
volkomen onbekende, want ik had daarvoor alleen maar in de ACB-jeugdcompetitie
gespeeld, terwijl Wally van Weelde en Cees Slagter al bekendheid genoten.
Toen de eerste vier of vijf plaatsen waren ingevuld, dacht ik dat ik wel aan de
beurt zou komen, maar dat leek niet te gebeuren. Wel hoorde ik de captain met
Wally en Cees discussiëren. Dank zij die twee sterren mocht ik als nummer 7 in
en niet als 10 0f 11 zoals de captain van plan leek..
Ik was teleurgesteld, maar ook extra gemotiveerd: ik zou wel eens laten zien wat
ik kon.
Daarvoor kreeg ik de kans. Met de score tegen de 90 ging ik in. Wally had dat
aantal bijna helemaal alleen op zijn naam. De nummers 8, 9 en 10 vielen snel en
daar verscheen nummer 11.
Die nummer elf was de latere voortreffelijke wicketkeeper en batsman van HTCC en
het Nederlands Elftal, Robby Colthoff. Hij was pas veertien jaar maar te elfder
ure opgetrommeld omdat hij vlak bij het veld woonde. Een Utrechter bleek
namelijk ziek of plotseling niet beschikbaar te zijn.
Robby toonde absoluut geen angst en sloeg al gauw een 4. Om kort te gaan, we
gingen gestaag door en passeerden het totaal van Rotterdam-Schiedam. We mochten
zelfs doorspelen tot 131. Robby ging uit met 14 uitstekende runs op zijn naam.
Ik keek vanaf dat ogenblik waarschijnlijk enigszins vanuit de hoogte naar de
Utrechters.
De zondag daarop moest ik aantreden bij VVV. Anton van Stuivenberg wist dat ik
in Utrecht meegespeeld had. “Jullie hebben gewonnen, hoorde ik.”vroeg hij. “Wat
heb jij gemaakt?”
“22 Not out,” zei ik. ”Meer niet?” was zijn commentaar.
Dat jaar speelden we met een Haarlems-Amsterdams jeugdelftal tegen een
bondselftal. De overs telden toen 8 ballen.
Helaas voor ons was de eerste bowler niemand minder dan Broer Sodderland, een
van de allerbeste bowlers toen. Met de eerste bal van de tweede over viel het
eerste wicket. Met de achtste bal van die over viel nummer 3. Dat was ik.
Sodderland werd gauw daarna afgezet om de jeugd niet verder te ontmoedigen.
---------------------------------------------------------------------------------------------------------------------
Van 1965
tot en met 1973 werd de Knock Out competitie gespeeld, een toernooi
vergelijkbaar met het bekervoetbal van de KNVB. Het waren wedstrijden van 40
overs waarbij bowlers niet meer dan 9 overs mochten bowlen. Je kon het treffen
met je tegenstanders, maar er ook met de eerste wedstrijd uitgeknikkerd worden.
HTCC trof in de derde ronde U.D., een club die je normaal niet gauw in jouw klas
zou treffen. Bij de lagere klassen waren de afstanden tussen de clubs meestal
beperkt gehouden. U.D. was dus een aparte belevenis. Nu luidt de kreet Çatches
win matches’, maar in deze wedstrijd had het weleens heel anders kunnen gaan.
Het openingspaar van U.D. was zeer taai. De twee starters waren zeer, zeer
degelijk en namen geen enkel risico. Dat ging over na over, zonder dat het
totaal noemenswaard steeg
Natuurlijk kon dat niet zo doorgaan. Dat beseften de batsmen ook en een van hen
waagde zich eindelijk aan een enorme klap richting mid on. Toevallig stond ik
daar en hoe vreemd dat ook mag lijken, ik in een flits dacht ik de catch te
moeten missen. Maar je laat een catch niet met opzet vallen, zeker geen
betrekkelijk makkelijke. Meteen na de vang vroeg ik dan ook aan mijn medespelers
of ik de bal wel had moeten vangen.
“Onzin,” was het commentaar. Het was “well caught” en je moest nooit een catch
bewust laten vallen. Helaas, helaas, de volgende batsman was een zekere S.
Lubbers en er waren ook andere UD-ers die het hout deskundig konden hanteren,
met alle gevolgen van dien.
Had ik die bal dan toch moeten laten vallen?
---------------------------------------------------------------------------------------------------------------------
Zoals
bekend hebben de Engelsen in de loop der eeuwen de halve wereld veroverd,
meestal gemeen, maar ze vonden het zelf best. Vandaar het ‘Gemenebest’?
Onbewust heb ze er wel voor gezorgd dat ze thans een heleboel tegenstanders op
het niveau
van hun cricketteam hebben. Met de verspreiding van sport hebben ze tevens het
wedden, een Britse hartstocht, verspreid met kwalijke praktijken als gevolg. Je
schijnt hier en daar te kunnen wenden op: “de zesde bal zal een ‘no ball’” zijn
of iets dergelijks.
Eens heb ik een andere weddenschap horen aangaan: een oudere speler zei, vόόr de
wedstrijd, tegen een clubgenoot: “Wedden dat we verliezen. Ik zet een tientje?
Het voorstel werd verontwaardigd afgewezen, hoe kon je willen verdienen door
verlies van je eigen club?
De man in kwestie legde het mij later uit: “Het is me best een tientje waard als
we winnen. Verliezen we, dan heb wat om mijn verdriet te verdrinken!.”
---------------------------------------------------------------------------------------------------------------------
HTCC had
destijds goede banden met MOP en het was waarschijnlijk daaraan te danken dat ik
twee keer uitgenodigd ben als gast bij hen mee te spelen. Een keer werd mij
gevraagd met nog een speler van HTCC te komen tegen het touring team van Dick
Griebling c.s. (De Lepelaars?) Mop had toevallig, het was vakantie, een tekort
aan spelers. Er waren meer van die teams als de Lepelaars, zoals de Travellords,
de Sprinkhanen, van de vermaarde Wim Staats en andere ACC-coryfeeën. (Ook wel
genoemd “Drinkhanen”). Ze waren half onafhankelijk van hun clubs en speelden in
de vakantieperioden.
De tweede keer mocht ik aanwezig zijn bij een, naar ik hoorde, jaarlijks
evenement, dat de ‘Bikkelbotsing’ heette. Al jaren vraag ik mij af of ik dat
goed heb onthouden. Zijn er nog Moppers die dat kunnen bevestigen?
Er werd op die dag een autorally gehouden waarna er ook nog werd gecricket. Het
was een onvergetelijke dag en daar denk ik met veel plezier, en dankbaar aan
MOP,.terug.
---------------------------------------------------------------------------------------------------------------------
Eind
negenenveertig ging ik voor het eerst naar een Bondsvergadering onder het
voorzitterschap van de grote Hugo van Manen. In de pauze verscheen een heel
bijzondere gast, te weten Peter May, de toenmalige captain van het Engelse
Testteam.
Na de gebruikelijke plichtplegingen vertelde de heer May het volgende verhaal.
Hij opende altijd maar hem overkwam wat iedere batsman vreest, namelijk uit gaan
voor NUL Dat is extra pijnlijk als captain en opener in een uitwedstrijd, zeker
in Australië. Veel cricketers hebben meer ervaring met zulk uitgaan dan de heer
May. Die liep met gebogen hoofd richting kleedkamers. Helaas week hij bij zijn
terugkeer iets af van de rechte lijn daarheen. We hebben allemaal wel genoeg
wiskunde geleerd dat je, als in een cirkel in het midden iets van de middenlijn
afwijkt, bij de rand van de cirkel ver aankomt van de middellijn. Met van
schaamte gebogen hoofd liep hij door om tot zijn schrik dan ook te bemerken dat
hij een uiteindelijk een flink stuk van de uitgang de boundary bereikte. Hij
moest dus nog een aantal meters langs de van vreugde joelende menigte gaan om
het paviljoen te bereiken. Het was een verschrikkelijke ervaring.
Het getuigde wel van gevoel voor humor dat hij ons dat verhaal heeft willen
vertellen.
---------------------------------------------------------------------------------------------------------------------
De
laatste wedstrijden waaraan ik heb deel genomen vonden plaats op de dag waarop
de zeventigste verfjaardag van Hilversum grote man Willy Rosenbaum werd gevierd.
Dat was 10 augustus 1980. Duidelijk bleek welke plaats Willy in de harten van
talloze cricketers had veroverd. Een uitgelezen gezelschap was uitgenodigd en ik
voelde mij zeer vereerd dat ik daar ook aanwezig mocht zijn.
---------------------------------------------------------------------------------------------------------------------
Er is
veel veranderd sinds ik in 1937 kennis maakte met cricket.
Het was toen nog de tijd van beschaafd handgeklap dat van tijd tot tijd uit de
ligstoelen opsteeg. Thans kunnen we nu en dan (op de buis) getuige zijn van de
wilde Twenty20 matches met vuurwerk bij de zessen en huppeltutjes langs de lijn
als er wickets vallen of ander oponthoud ontstaat. …Ach, waren er nog maar die
lange dagen aan de buis van de aloude Test Matches.
Einde
Ben
Teeuwisse - 15.03.2012
====================

Meer uit de Oude Doos van Ben Teeuwisse
(20.01.2012)
Pas
onlangs realiseerde ik mij dat er nog maar weinig S.G.S.-ers zijn die
herinneringen kunnen hebben aan 1940-1945 en de jaren daarvoor.. Ik vond verder
dat mijn eerste bijdrage aan deze rubriek te weinig was voor vijfenzeventig
jaar cricket en ben daarom aan het graven gegaan.
Het is ondoenlijk om te vertellen hoe het leven in die crisisjaren en in de
oorlog was. Er zijn cricketers in het verzet of mogelijk ook door
oorlogshandelingen omgekomen. Er waren helaas ook cricketers fout.
Als de moffen werkkrachten zochten, vonden ze ook cricketers en ik was een
daarvan. Van eind november 1942 tot mei ‘45 heb ik in Essen en in de omgeving
daarvan gezeten. Laat ik erbij voegen dat het mij niet slecht vergaan is. De
groep waartoe ik behoorde bestond uit kantoorbedienden en die werden beduidend
beter behandeld dan fabriekspersoneel, niet alleen bij Krupp, dat ons had
geronseld, maar ook de firma bij wie ik daarna terecht kwam toen de
lokomotievenfabriek van Krupp, waar ik had gewerkt, totaal in de as was gelegd..
In die zomer van 1945 leefden we op, speelden onderlinge wedstrijden en potjes
tegen in Nederland gelegerde teams.
Langzamerhand begon het normale leven weer en in ’46 startte de zondagcompetitie
weer.
Zoals iedereen wel weet kregen we toen het probleem Indonesië. De Dienstplicht
was weer ingevoerd, maar de jaargangen 1921 en 1922 werden niet meer opgeroepen,
die hadden in de oorlogsjaren genoeg narigheid beleefd. De jaargang 1923 was
voorlopig vrijgesteld, maar daarvan is niemand meer opgeroepen.
Voor CrIC, en waarschijnlijk ook ander clubs, had dit geen plezierige gevolgen
Enkele CrIC-ers moesten naar Indië zoals dat toen nog heette. Een aantal spelers
van ons eerste team besloot de snorren te laten staan totdat onze makkers waren
teruggekeerd. De snorren hebben het doorgaans niet overleefd, onze Indiëgangers
gelukkig wel.
CrIC werd waarschijnlijk zwaarder getroffen dan andere verenigingen (na het
vertrek van de Meikevers in 1949) want slechts enkele leden waren toen net 18 of
enkele jaren ouder., We hadden slechts een paar leden boven de 22 jaar. Als
gevolg daarvan was ons team elke veertien dagen danig verzwakt: juist onze
aankomende cracks waren in dienst en hadden maar om de zondag een vrij weekend
Waren wij de ene week opgewassen tegen de sterkste tegenstander, de week daarna
konden wij van de zwakste teams verliezen.
-----
Zoals eerder verteld moesten we vlak na de oorlog zeer zuinig zijn met ons
materiaal. We trainden op de gemeentelijke velden waar VVV zijn thuishaven had.
Op die velden speelden de ACB-jeugd en de zaterdagcompetitie. Aan de kant van de
Wandelweg was een stevig soort heg die het zicht van de wandelaars aldaar op de
velden beperkte. Het terrein was omringd door sloten en vooral de sloot aan de
achterkant was minder goed beschermd. Veel ballen belandden in de sloot aldaar
die wel zo’n tien meter breed was. Meestal konden die ballen met een lange stok
of hark gered worden, maar nu en dan was zo’ n bal niet aldus bereikbaar. Er zat
dan niets anders op dan… de sloot in! Ik heb de zwempartij verscheidene keren
ondernomen en als ik daaraan denk, heb ik het gevoel dat ik de gore lucht van
het slootwater weer ruik. En dan bedenk ik ook weer dat de sloot verderop
grensde aan de begraafplaats Zorgvlied.
Je kon het beste plat voorover het water inglijden want, als je trachtte te
lopen, dan zakte je onmiddellijk in een weeë brij waaruit je je been moeilijk
kon lostrekken. Maar het moest gebeuren, de ballen waren duur!
Aan de zijde van de Wandelweg werden de buiten het veld geslagen ballen gestopt
door de heg en het welige, stugge gewas daaromheen. Nu was dat vrij dicht en
omvangrijk: niet elke bal werd snel gevonden. Zo geviel het een keer dat een bal
onvindbaar leek.
Nu weet iedereen dat de oude Grieken en Romeinen hun goden hadden die elk
zogezegd hun eigen gebed beheersten. Zo had Mars de oorlog en Venus de liefde.
De katholieke kerk heeft waarschijnlijk gemerkt dat dergelijke figuren gemist
werden. Derhalve kregen de heiligen hun taken. Van Sinterklaas weten wij dat hij
er niet alleen voor de kinderen is, maar ook voor de zeevaart en Amsterdam. Zo
is er ook een heilige aangewezen als hulp bij verloren zaken. Als zoeken niet
helpt, zegt de gelovige een versje op om hulp. Toen we weer eens lang tevergeefs
aan het zoeken waren, zei een van onze jeugdige spelers dan ook: “Heilige
Antonius, beste vrind, maak dat ik die bal weer vind.” Het hielp niet, maar een
van de andere zoekenden riep: “GXYXYTWTUVD!” en zie: hij schopte tegelijkertijd
tegen de verloren gewaande bal!
-------
Het lot van de Meikevers, de dwarsliggers die zich in 1949 van CrIC hadden
afgescheiden, stond bij voorbaat vast: ze zouden het slechts een paar jaar
zouden redden. Sommige spelers gingen naar andere clubs en slechts enkele
keerden terug naar CrIC. Dat had het moeilijk in die eerste jaren, want al
hadden we steun van het Ignatius College, we moesten zelf voor materiaal en
andere kosten opkomen. We hadden toen slechts enkele verdienende leden, want het
merendeel bestond uit studenten en tieners (dat woord bestond destijds nog
niet).
Gelukkig hadden wij Herman Menting als penningmeester. Hij had verstand van
geld, werkte bij de A.B. Hij schoot vaak de centjes voor materiaalaankoop voor
en hoopte dan zo spoedig mogelijk de contributies te ontvangen. Penningmeesters
zullen beseffen hoe dat voelt. (Hij was mijn beste vriend. Helaas is hij op
zestigjarige leeftijd aan kanker overleden.) Soms ook moesten wij enkele
jeugdleden te elfder ure oproepen waarbij de verdienende leden wel eens voor de
reiskosten opdraaiden. Het was eigenlijk verbazend hoe CrIC weer overeind
krabbelde en het heeft wat later zelfs een jaar in de tweede klasse A gespeeld.
------
Ronselen
Wat mij destijds ten zeerste ergerde was dat er een club was die duidelijk
veelbelovende jongens trachtte te ronselen. Zo’n club nodigde dan heel
vriendelijk een jonge ster uit om als gast mee te spelen in een tour of
wedstrijd in de vakantieperiode. Ik heb mij bij zo’n club beklaagd en het is tot
een uitvoerig onderhoud gekomen met een vooraanstaand lid van die club. Hij
verklaarde dat veelbelovende spelers bij een grote club betere kansen kregen om
zich verder te ontwikkelen.
Daar was ik het natuurlijk niet mee eens en heb een stuk ingestuurd naar
Cricket, ons bondsorgaan. In die tijd was HCC oppermachtig. Het speelde met twee
teams in de eerste klas en een van de twee ging dikwijls met de titel strijken.
Zouden veelbelovende knapen allemaal naar HCC gaan om zich verder te
ontwikkelen, dan zou de eerste klas spoedig het volgende deelnemersveld tonen:
HCC 1, HCC 2, HCC 3 enz. stelde ik.
Er zou bijvoorbeeld in Den Haag, Rotterdam of Amsterdam steeds maar één club
overblijven terwijl andere clubs, die naar promotie streefden, geen kans daarop
kregen.
Ik had een sterke troef want ik kon wijzen op ACC, dat, met o.a. de Van Weeldes
en de gerenommeerde bowler Piet Sanders, in opkomst was, met lieden uit eigen
gelederen.
-----
Collapse en de Kwispelstaart
Et verschijnsel collapse zal iedere cricketer bekend zijn. Hoe komt het dat soms
de val van enkele wickets leidt tot knikkende knieën en snelle val van de
volgende batsmen? Onlangs (november 2011) werd Australië uitgekegeld voor 47
runs in de tweede innings tegen Zuid-Afrika. Slechts de nummers 9 en 11 haalden
net dubbele cijfers. Hier hebben we zowel de collapse als de kwispelstaart. Dat
laatste verschijnsel komt wel vaker voor. Soms maken we immers ineens mee dat
een van de staartbatsmen in een opwelling van moed of wanhoop met een aantal
flinke halen nog een pittig aantal runs slaat. Raar spel, dat cricket.
----
We gaan weer wat terug in de tijd. Ik moet toch wat van vroeger tijden
vertellen, ook al heeft het niets met cricket te maken. Er zullen maar enkele
mensen nog weten, of gezien hebben, dat de agenten in Amsterdam (ik neem aan dat
het elders ook zo was) op Koninginnedag helmen droegen.
Wat men mogelijk wel weet is dat tegenwoordig de jaren vijftig en zestig in de
vorige eeuw werden afgeschilderd als saai . Er gebeurde niks wordt vooral gezegd
door lieden die in de merkwaardige wilde jaren daarna als studentjes begonnen,
zonder veel levenservaring. Het blijft mij verbazen als je denkt aan de snelle
wederopbloei van Nederland dat zo veel schade te herstellen had en met Indië in
de problemen kwam. Ondanks dat het voor ons verloren ging, brak er desondanks
geen rampspoed uit. Er moest wel het een en ander veranderd en verbeterd worden,
maar zo overdreven revolutionair als de verdedigers van de oprispingen in die
jaren beweerden, hoefde het niet. Op vallend was dat enkele vooraanstaande
oproerkraaiers al snel op het pluche belandden.
Het ergste was dat toen de basis werd gelegd voor de huidige onbeschoftheid
waarvan de geheven middelvinger wel het symbool is. Er werd immers toen gepreekt
dat we geen gezag zouden moeten dulden en meer assertief moesten zijn. Je hoefde
van niemand iets te pikken. Begrijpelijk dat aan de basis werd begonnen: de juf
en de meester werden juf Ingrid en meester Henk. Zijn we niet ook minder
fatsoenlijk geworden op de pitch, waar umpires het slachtoffer zijn geworden?
Deze (te) lange inleiding heb ik even nodig om een probleem te schetsen toen ik
in 1942 bij VVV 1.mocht aantreden. Vóór de jaren zestig en zeventig zei je als
tiener, en doorgaans zelfs in het algemeen, tegen personen boven de 25
‘juffrouw’, ‘mevrouw’ of ‘meneer’, en ‘u’, geen ‘jij’. Nu was de stap van de
junioren- en zaterdagmiddagcricket. naar de ‘eredivisie’ voor mij al geducht, de
stap naar VVV 1 was nog moeilijker. De captain van dat team, Jan Grootmeyer, had
mijn grootvader kunnen zijn, Anton Stuivenberg (oud international) en Hein van
Wermeskerken waren ongeveer twintig jaar ouder dan ik (19). Tegen de laatste
twee heb ik me wel verstout ze in de loop van de tijd te tutoyeren, maar
Grootmeyer bleef ‘meneer’ voor mij, Dat waren zogezegd Andere Tijden!
--------
  Ik meen dat het 1953 was dat het Australische testteam Nederland bezocht. Er
werd ook in Den Haag tegen Nederland gespeeld. Veel van die match herinner ik
mij niet meer. Van ons elftal maakten Nico Leeftink en Wim Feldman, mijn
medespeler in de ACB-jeugd, deel uit. In het team van Australië speelden de
geduchte allrounder Miller en de toen nog aankomende grootheid Richie Benaud.
Benaud was vele jaren de populaire presentator van cricketmatches op tv.
Klik op de foto's en deze openen groot in een nieuw vensterBovenstaande
foto's zijn ontvangen van Rob de Haas
uit zijn eigen archief en van Fred Reman. M.b.t de foto links weet
Maarten Ingelse te melden dat dit de scorecard is van de wedstrijd op 27 juni 1957 op Rood en Wit.
De foto in het midden betreft het 'Souvenir Tour Programme' van het Australische
Testeam dat in 1964 in en tegen Engeland speelde en op 29 augustus op H.C.C.
tegen Nederland de historische, door Nederland gewonnen, wedstrijd speelde.
Rechts hiervan de scorecard die is ontvangen van Fred Reman. Allemaal bedankt
voor de informatie !!!
En ik
denk nog met weemoed aan de vele uren, die ik, na mijn pensioen, in de jaren
tachtig en negentig, aan de buis heb gezeten zowel bij testmatches als ‘one day’-wedstrijden.
Zo heb ik Graham Gooch 333 runs zien slaan! Helaas, sloegen eensklaps de
betaalzenders toe.
Ook de West-Indiërs bezochten ons in de jaren vijftig. De wedstrijd werd
gespeeld op het terrein van Rood en Wit. Ik was toen al lid van de Propaganda
Commissie en zat, samen met collega Jan Scheffer, aan een tafeltje voor de
tribune. Toen de West-Indiërs voor de lunch langs ons kwamen, heb ik aan enkele
spelers de bekende foldertjes als ‘Jongens wat is cricket’ uitgedeeld. Zo heb ik
oog in oog gestaan met Garfield Sobers, een van de beste allrounders aller
tijden!
----
Ongeveer midden jaren vijftig verscheen een heer uit Engeland met een
eenvoudige, maar voortreffelijke trainerscursus.. Het was de heer Crabtree die,
met zijn uitstekende methode verscheidene trainers hier heeft opgeleid. Zelf heb
ik een aantal van zijn lessen bijgewoond maar geen examen gedaan. Ik heb er
veel van geleerd. Wordt er nog met zijn methode gewerkt en zijn er nog
oud-leerlingen die ervan kunnen getuigen?
-----
Na de oorlog hebben er enkele Engelse soldatenteams aan de Nederlandse
Competitie deelgenomen. Zelf heb ik met CrIC gespeeld tegen het Garrison Hoek,
uit Hoek van Holland en later troffen wij met HTCC het team van Grobbendonk.
Toen wij tegen Garrison Hoek aan bat gingen, opende onze beste batsman en ik
ging als nummer twee. Nog zie ik de verbijsterde uitdrukking op het gelaat van
onze nummer een. Nauwelijks had hij zijn bat opgetild of de gehele off stump lag
een eindje verder. We waren nu wel gewaarschuwd maar een erg hoog totaal
bereikten we niet. Achteraf hoorden wij dat hij de snelste bowler was van de
B.A.O.R. Voor onze jeugdige lezers: dat was de British Army On Rhine.
Toen ik bij HTCC speelde troffen we de Grobbendonkers, ook een eenheid van de
Britse strijdkrachten, aan. Wat deze tegenstanders zo aantrekkelijk maakte was
het feit dat de consumpties in hun kantine, tot grote vreugde van allen,
uiterst betaalbaar waren. Daar heb ik voor de eerste keer een screw driver
gedronken, whisky met sinaasappelsap. En ook voor de tweede en derde keer…
-----
We gaan weer even terug naar mijn eerste cricketjaren. Eenmaal bij de ACB in
1938 ging ik naar de wedstrijden van VVV dat speelde op de veldenwaar ik in de
ACB-jeugdcompetitie speelde. Ook ging ik wel eens naar de training van VVV op
donderdag- avond. Ik was al blij als ik een bal kon teruggooien als die uit het
veld geslagen was. Toen speelde de bekende Nederlander Wim Schoevaart, het
oudste lid van Ajax, nog bij VVV. In 1942 was hij weer vertrokken,
waarschijnlijk naar Ajax.
Ik had er natuurlijk nog geen idee van dat ik in 1942 in het. eerste van VVV zou
debuteren. Het was een bijzonder jaar voor VVV want het bestond veertig jaar.
Dat werd gevierd met eerste een voetbalwedstrijd tussen de hockeyers en de
voetballers. In dat voetbalteam speelden enkele zeer goede spelers, maar de
hockeyers – enigszins bijgestaan door de scheidsrechter Jan Grootmeyer-- weerden
zich goed al verloren zij.
Helaas begon het ’s middags ontzettend te regenen. Andere feestelijkheden op het
veld gingen natuurlijk niet door, maar men slaagde erin voldoende ruimte te
vinden bij het restaurant van de bekende biljarter Jan Sweering, dat lag waar nu
de Nederlandse Bank is gevestigd. Het werd dus toch nog een geweldig feest, zij
het niet voor mij. Bij een van de feestelijke onderdelen kwam ik hoogst
ongelukkig te vallen en raakte zwaar geblesseerd aan mijn rechterknie. Ik heb
drie weken plat gelegen alvorens ik weer aan de slag kon. Het was geen
sportblessure, maar een sportfeestblessure!
-----
Vóór dat feest speelde VVV 1 tegen Quick Nijmegen en dat was de duizendste
wedstrijd van de toen nog NCB- competitie. Een foto van dat team bevindt zich
nog in het VVV-clubhuis.
Ook de uitwedstrijd tegen Quick-N bood nog iets bijzonders. Naast het veld was
een perenboomgaard. Toen er een zes werd geslagen die tussen de bomen aldaar
belandde, togen enkele spelers naar de boomgaard om de bal te zoeken. We vonden
niet alleen de bal, maar ook peren. Toen ik een peer wilde plukken, voelde ik
dat die nog te hard was. Er lagen echter wel enkele pas gevallen peren die
ongeschonden en rijp bleken. Daar heb ik er een paar van meegnomen. Mijn
medezoekers hadden die gevallen peren niet vertrouwd en er dus een aantal van
geplukt. In de trein terug genoot ik van mijn oogst. Mijn makkers, keken, met
hun onrijpe peren en schuine ogen naar mij.
-----
Toen ik nog in Eindhoven woonde trok ik een keer, met dochters, naar Utrecht
waar SGS tegen Kampong aantrad. Toen ik inging moest ik Cees Tettelaar bijstaan.
Hij was op weg naar en century bleek later, maar voordien kreeg ik een bal op
leg. Of het de bounce van de bal was of mijn onhandige poging de bal op adequate
wijze naar de boundary te transporteren weet ik niet, maar wel voelde ik dat
mijn linker wenkbrauw was getroffen. Het deed nauwelijks pijn en ik wilde mij
weer opstellen voor de volgende bal toen men van alle kante riep: “Stop! Stop!.”
Toen voelde ik dat er iets over mijn wang liep. Mijn wenkbrauw lag open.
Nu had mijn dierbare echtgenote mij en mijn dochters rijkelijk voorzien van
proviand, handdoeken, zeep en wat dies meer zij . Er was een van de handdoeken
knalrood en juist met die kwam een van mijn dochters aangesneld. Zo bleek het
een veel bloederiger geval te zijn dan het was en de toeschouwers schrokken
dienovereenkomstig. Een van de aanwezige dames (die ik nog steeds zeer dankbaar
ben) bracht mij naar het ziekenhuis. Aldaar werd ik toevertrouwd aan een
vrouwelijke arts. Zij had kennelijk ook ooit uitstekend borduren geleerd, want
de wond werd zeer fraai dichtgenaaid. Je zag er al gauw geen bal meer van.
Terug op het veld. kon ik weer meedoen, zij het dat Kampong aan bat was. Ik heb,
geloof, ik zelfs nog één wicket genomen Op mijn cricket-VC kon ik nu eenmaal
‘retired hurt’ vermelden.
“Hurt, not retired’ is mij ook eens pijnlijk overkomen. Dat gebeurde in
Eindhoven en ik stond er als eerste slip. We hadden een zeer snelle bowler die
een bal aan leg gooide die zowel door de batsman als de wicketkeeper werd
gemist. Aangezien ik het tijdig zag aankomen startte ik meteen en trachtte de
bal met mijn hand te stoppen. Helaas, de bal trof een klein hobbeltje en de bal
spoot keihard precies op het knobbeltje aan de binnenkant van mijn linker enkel.
Het deed behoorlijk pijn en ik heb in de kleedkamer een stroom koud water over
de plek laten gaan. Dat hielp en ik heb verder gespeeld. s’‘Avonds ging de plek
steeds erger pijn doen, zo erg dat ik naar bed ben gegaan. Toen ik mijn sok
uittrok zag ik een voet die tot boven de enkel helemaal zwart was! Bij een
bezoek, de volgende morgen, aan arts, specialist en ziekenhuis bleek dat het
gelukkig niet meer was dan een enorme bloeduitstorting.
-----
In onze gelederen bevond zich ooit de grootste promotor van IJshockey in
Nederland. Dat was Frans Henrichs. In die tijd kreeg deze sport, dank zij hem,
veel meer bekendheid dan thans. Bij een wedstrijd op de velden van de Twentsche
Bank, waaraan ik veel dierbare herinneringen heb, stond Frans in het verre veld
toen een zeer snelle bal te ver van hem vandaan richting boundary schoot. Van
ergens in de buurt van het wicket klonk prompt uit de mond van de grote VRA-er
Wim Kummer: “Frans, Icing!” Voor het geval dat u niet weet wat dit betekent: Het
is de overtreding waarbij de puck in geval van nood met een enorme klap uit het
verdedigingsvak naar de andere kant van het veld wordt geslagen..
----
Het Mirakel van Rotterdam
Bij een van de eerste wedstrijden tussen Rotterdam/Schiedam en Amsterdam kwam
Wally van Weelde aan bat. Hij speelde toen nog bij ACC en dus voor Amsterdam.
Later zijn hij, en zijn broer Hans, verhuisd naar Rotterdam en VOC. Op zeker
moment ging Arie Terwiel, de gevreesde bowler van VOC, op silly mid on staan om
Wally uit te dagen. Die trok zich daar niets van aan en toen er een geschikte
bal aan kwam, sloeg hij toe. Tot grote schrik van iedereen stortte Arie neer, de
bal had zijn hoofd keihard getroffen. Gelukkig kwam hij overeind, maar hij werd
zo snel mogelijk naar het dichtstbijzijnde ziekenhuis gebracht. Nog vrij snel
kwam hij terug, hij had geluk gehad en kwam met de schrik, en waarschijnlijk nog
wat hoofdpijn, vrij. Het had net zo goed ernstig fout kunnen gaan.
Elk team, vooral in de lagere regionen, telt vele spelers die niet vaak aan hun
trekken komen. Zij zijn enthousiaste cricketers, maar noch aan bat, noch aan bal
zeer bedreven. Soms, maar bepaald niet altijd, zijn zij goede fielders. Soms
maken zij een vang, soms stoppen zij een moeilijke bal, maar vaak ook komen zij
niet aan bat en bowlen geen bal. Toch horen zij er helemaal bij. Soms zijn er
uitblinkers, zoals wijlen Piet van het Noordende die je gerust een matchwinner
kon noemen. Hij heeft, volgens mij, de catch van de eeuw op zijn naam. Ik heb
daar al iets over geschreven dat in het jaaroverzicht van 1909 is opgenomen.
Voor wie dat gemist hebben: in het veld, met CrIC tegen Kampong 2, sloeg de
vermaarde Jan Offerman, lang topscorer van het Nederlandse cricket met 240 not
out, tegen de wind een enorm hoge en verre bal. Piet snelde in de richting waar
de bal zou neerkomen. Door de wind moest Piet iets van richting veranderen,
draaide zich al om de bal te pakken, stapte in een kuil en sloeg stijl
achterover. Vóór dat hij hellemaal plat lag, schoot zijn hand uit en vlak boven
het gras greep die hand de bal klemvast. Dat doet niemand hem ooit na!
Voor mij
staat vast dat cricket besmettelijk is; al heb je totaal geen aanleg voor batten
of bowlen, je bent besmet met het cricketvirus.
Aan die trouwe cricketers zonder pretenties maar met echte cricketharten breng
ik hierbij hulde
Ik laat
het hierbij en groet u allen zeer.
Ben Teeuwisse - 20.01.2012
P.S. Wie
leest leert, geniet en verrijkt zijn geest: In een nieuwe biografie van George
Washington, de generaal van de Amerikanen in hun vrijheidsstrijd en daarna
president lees ik dat hij, tijdens een betrekkelijke rustperiode halverwege die
oorlog,, met jonge officieren cricket speelde. Hebben de Amerikanen, na de thee
uit Engeland overboord te hebben gegooid en door koffie vervangen, ook cricket
weggedaan?. Wat hebben ze er aan overgehouden: koffie (tot voor kort een niet te
drinken vocht en honkbal…
--------------------------------------
Naar aanleiding van het verhaal 'Meer uit de Oude
Doos van Ben Teeuwisse' waarin twee
kaarten worden getoond het volgende:
De
gedeeltelijk zichtbare kaart (links) is de scorekaart van de wedstrijd Nederland
- West Indië op 27 juni 1957 op Rood en Wit in Haarlem.
De andere kaart is een 'Souvenir Tour Programme' van het Australische Testeam
dat in 1964 in en tegen Engeland speelde en op 29 augustus op H.C.C. tegen
Nederland de historische, door Nederland gewonnen, wedstrijd speelde.
Zie de scorecard
Er wordt in het verhaal ook melding gemaakt van een wedstrijd tegen Australië in
1953 . Dat klopt. Ook die wedstrijd was op H.C.C.
Op de website van CricketEurope kun je onder Netherlands 'StatsZone' alle
gegevens vinden van de wedstrijden
van het Nederlands XI.
Vriendelijke groeten,
Fred Reman - 31.03.2012
===================
De eerste bijdrage van Ben Teeuwisse voor deze rubriek is :(31.10.2011)
In 1936
kwam ik op een vreemde manier in contact met cricket. Het toeval speelde ook een
zeer grote rol in het vervolg van mijn cricketleven. In datzelfde jaar kwam er
een jonge pater, die Engels studeerde en in dat land al een deel van die studie
had gedaan op het College.. Dat was pater Tonino Op het Ignatius College kregen
de aankomende jezuïeten bepaalde taken zoals leiding van voetbal, hockey, de
verkennerij en soortgelijke activiteiten waarmee men de leerlingen ook buiten de
schooltijd bezig hield. Men streefde naar een gezonde geest in een gezond
lichaam en cricket was wel de aangewezen sport waar sportiviteit en goede
manieren hoogst belangrijk waren.
Al spoedig bleek Tonino een man die zich zo mogelijk met meer dan 100% voor zijn
taak inzette.
Aan het eind van het voetbalseizoen, in 1937, begon hij meteen knapen te
ronselen die hij geschikt achtte voor cricket.
Het toeval was CrIC, de Cricketclub Ignatius College in wording, behulpzaam: dat
jaar werden in Amsterdam voor het eerst (en ook voor het laatst)
schoolwedstrijden uitgeschreven. Voor voetbal was dat al lang gebruikelijk.
Tonino schreef meteen in. Hij had maar enkele jongens over van het jaar ervoor,
maar hij verzamelde er een flink aantal bij.
Hij was heel stoutmoedig want hij had nauwelijks geschikt materiaal: slechts één
behoorlijk bat, een zeer gammel exemplaar en een dat was samengesteld uit het
blad van een bat waarin een deel van de steel van een hockeystick was
aangebracht. Waar hij de legguards en keepershandschoenen vandaal gehaald had,
weet ik niet, maar het was allemaal zeer primitief.
Desondanks werd fanatiek met trainen begonnen. Daartoe moest op het hockeyveld
van HIC een pitch gefabriceerd worden. Gelukkig waren er een zware roller en een
maaimachine, allebei met de hand te bedienen. Voor voetbal en hockey huurde het
College enkele stukken hobbelige grond van een boer in Amstelveen.
Aangezien de tijd kort was moest alle tijd goed worden benut. Brutaal besliste
Tonino dat we dan maar niet alleen op woensdag- en zaterdagmiddagen moesten
trainen, maar ook op de avonden. Het is duidelijk dat het College dat verbood,
wanneer moest het huiswerk worden gemaakt? Tonino schijnt een flinke
schrobbering te hebben ondergaan, maar hij had toch wat avonden getraind voor
het verbod kwam.
We hebben twee wedstrijden gespeeld die we natuurlijk met innings verloren. Onze
tegenstanders hadden enkele al behoorlijk vaardige spelers die hun weg naar de
eerste klas zouden vinden.
Wij hadden slechts één speler die wat meer opleiding had gehad. Zijn pa zat in
het bestuur van VVV. Hij maakte in de eerste wedstrijd 12 van de ongeveer 30 in
een van de innings. Ongeveer 30 bleek onze limiet te zijn. Deze ster, die toch
al niet zeer geliefd was, liep vanaf die 12 naast zijn schoenen
Ik ging eerst aldoor in als nr. 2, maar in de tweede innings van de laatste
match wilde onze nummer 1 graag met mij ruilen. Nu was daar als umpire de heer
A.J. van Wermeskerken, de jeugdleider van de Amsterdamse Cricket Bond. Hij was
daarnaast een geduchte leg spinner van VVV. Voor ik in ging als nr. 1, riep hij
mij bij zich. Dat bat dat ik had was niet geschikt vond hij en hij gaf mij een
iets kleiner bat dat lichter was en dus voor mij heel wat beter.. Het gevolg was
dat ik met 15 van onze ‘ongeveer’ 30 runs duidelijk topscorer werd..
De vreugde was groot, niet zozeer voor mij, maar omdat onze ‘ster’ van de eerste
match een toontje lager moest zingen. Dat werd hem dan ook na de wedstrijd zeer
duidelijk gemaakt.
Wat echter het allerbelangrijkste voor mij was dat Van Wermeskerken (algemeen
bekend als Hein) mij vertelde dat ik het volgende jaar bij hem in de ACB zou
komen. Bij de ACB konden destijds jongens twee jaar gratis trainen en spelen in
de ACB jeugdcompetitie. Daarna moest je kiezen voor een club in Amsterdam.
Nu was helaas de regel van het College dat je alleen in de collegeclubs mocht
spelen tenzij er gegronde redenen waren om elders te voetballen , hockeyen of
andere sport die op het College beoefend werd. Mij is echter geen strobreed in
de weg gelegd.
Van het eerste jaar kan ik mij niets herinneren, van het tweede jaar iets meer.,
Van Wermeskerken maakte mij toen aanvoerder en als onderopperhoofd werd Karel
Prior (ja, die) aangewezen. Hij moest echter om gezondheidsredenen voorlopig
stoppen met cricket.
----
Aan de. Amsterdamse Zuidelijk Wandelweg lagen verscheidene sportterreinen. ACC/AFC
had velden vlak tegen de begraafplaats Buitenveldert, meer naar het oost en
waren er enkele gemeentevelden waarop VVV speelde en de wedstrijden van de
Amsterdamse Cricket Bond plaats vonden.
Ik denk met plezier terug aan de avonden op het VVV-veld waar ’s avonds al vroeg
jongelui in de kooi aan de slag gingen en enkel oudere leden bij mooi weer zaten
de luieren. Er waren daar later zeer bekende lieden bij: Louis van Gasteren, de
filmer, en Henk Ruhling, de grote bokspromoter, die meestal in een ligstoel zat
en grote sigaren rookte. Wie als laatste aan bat kwam, kon in de duisternis op
de pittigste fastballen rekenen.
----
In die tijd stelde ik vast dat het gebruikelijke schoolprogramma helemaal fout
was. Het cricketseizoen begon op een ogenblik waarop de overgangsexamens werden
voorbereid. Veel beter ware het geweest als die examens in december zouden zijn
gehouden. Je had dan minder de neiging naar buiten te gaan en ging dan maar
studeren. In het nieuwe jaar ging je naar de volgende klas. Bleef je zitten, dan
kon je in de warme sfeer van het Kerstfeest getroost worden.
----
In dat tweede jaar met het ACB-team speelden we natuurlijk tegen de jeugd van
VRA, ACC en VVV. De aanvoerder van VRA was toen Huib van Weelde en ik denk een
van de weinigen te zijn die tegen, of met alle vier Van Weeldes van die
generatie gespeeld te hebben,
Wat mij van VRA vooral is bijgebleven is de herinnering aan de mat: die was
bijna tweemaal zo breed als die elders gebruikt werden. Ik voelde mij daarop
veel zekerder en het lag misschien daaraan dat ik op die mat, in 1940, mijn
eerste 50 heb gescoord.
Ik weet niet meer hoe het nu is, maar je had nog wel eens velden waarop de rand
van de mat nog leunde tegen het gras naast de gravelpitch. Een slechte bal, op
de rand van de mat, kon zo dodelijk worden.
----
In 1939, mijn tweede jaar in de ACB, verscheen er in een krant (Ik meen de
Telegraaf) een foto van een jeugdige bowler in actie, met achter hem de umpire,
de heer Van Wermeskerken. Het was een juist ontdekt talent namelijk Wimpie
Feldman, die de beste was in mijn team. Hij heeft dan ook later enkele keren in
het Nederlands Elftal gespeeld. Dat speelde toen nog maar sporadisch.
Heel langzaam kwam daardoor bij mij de herinnering boven dat ik nu en dan op
verzoek van Van Wermeskerken een envelop met de uitslagen van cricket in de bus
gooide van een journalist (Ik geloof van de Telegraaf). Een heel vermaarde
cricketer uit het begin van de twintigste eeuw, J.C. Schröder, was journalist
van de Telegraaf.)
Voor velen zal het een openbaring zijn dat er toen regelmatig berichten over
cricket in de kranten stonden. Achteraf bezien niet zo vreemd want ongeveer in
het midden van de jaren vijftig vierde de Amsterdamse Cricket Bond haar
zestigjarig bestaan. Er werd toen dus waarschijnlijk al geruime tijd meer
gecricket dan thans. Toen ik mijn intrede deed, was er een flinke
zaterdagmiddagcompetitie met twee klassen! In die competitie namen o.a. banken
deel, de Amsterdamse, Rotterdamse en Twentse bank, als ook de Nederlandse
Handelmaatschappij. Ook Rood-Zwart, het team van de gemeente Amsterdam nam deel.
Verder was er een club RIO (Run It Out) een sterke tweedeklasser in de NCB, die
ook in de zaterdagcompetitie speelde. Er waren er waarschijnlijk meer maar ik
ben niet zeker van de namen.
----
Het lijkt vreemd dat er in die jaren van werkeloosheid en armoe toch zoveel
cricket was. Ik meen te kunnen verklaren hoe dat mogelijk was.
Voetbal was natuurlijk de belangrijkste sport. De uitrusting daarvoor was nog
wel te bekostigen. Hockey had nog een elitair karakter en was ook al duurder
omdat je sticks nodig had en die waren waarschijnlijk voor velen te duur.
Bovendien kwam je niet gauw met hockey in aanraking, voetbal zag je overal op
straat.
Tennissen was geen sport voor de massa, rackets en ballen kreeg je ook niet bij
de boodschappen cadeau. Maar cricket dan? De bekende oude voetbalclubs hadden
haast allemaal ook een cricketafdeling: de nog niet Koninklijke HFC had Rood en
Wit, HVV had HCC, Sparta-cricket was ook Sparta , VOC dito, evenals Hermes DVS,
AFC had ACC om er een aantal te noemen. Leden en supporters kwamen zo in
aanraking met cricket. Veel topspelers waren ook topcricketers.
Laat ik Ajax niet vergeten. Het heeft ook gecricket en ik herinner mij nog een
wedstrijd op het veld vóór het stadion in de Watergraafsmeer. De Ajaxieden
stelden ons een keer voor de lunch later te houden. We konden dan samen op de
eretribune de vriendschappelijke wedstrijd Ajax-Heerenveen bijwonen. Daar hadden
we natuurlijk niets op tegen.
In Amsterdam, zoals hierboven al is verteld, namen banken en de NeHamy deel aan
de cricketcompetitie. De spelers hadden om mee te doen slechts een wit shirt,
dito broek en gympies nodig, de bank stelde de bag, met al het overige materiaal
beschikbaar. De Twentsche Bank had een eigen complex, waar velen, denk ik, nog
met veel plezier aan terug denken. Toen ik begon te spelen hadden er maar weinig
spelers eigen bats en handschoenen, om van legguards nog maar te zwijgen. De
verhouding lonen-prijzen van die tijd was beduidend ongunstiger dan nu, zeker
voor zulke luxe importartikelen. Pas met de groeiende welvaart na 1950 konden
zich veel meer cricketers het zich veroorloven een bat of nog meer aan te
schaffen.
Over de bag gesproken: het was een heel gesjouw met dit zware geval als het veld
van de tegenpartij ver van het dichtstbijzijnde openbaar vervoer was gelegen.
Auto’s waren nog zeer schaars. Niet gauw zal ik een lid van Kampong en SGS
vergeten die klaagde dat hij nog pas als jongste de bag had moeten dragen., want
hij was pas…61.
---
Hein van Wermeskerken verdient wel enkele regels apart. Aan de zijkant van de
grote kleedkamers van het VVV-terrein zat een aparte ruimte waarin Hein haast
elke dag te vinden was. Hij had, of werkte voor, een sportzaak. Bij hem kon je
alle cricketspullen bestellen en hij had altijd bats in voorraad. Werd er een
verkocht, dan werd het, voor het geleverd werd, deskundig ingeklopt met een
harde bal (geen cricketbal) op een korte stevigste stok. Ik heb heel wat
afgeklopt en. daarmee heb ik de kennis opgedaan toen we voor CrIC zelf bats
moesten aanschaffen. Hein was dan wel zo vriendelijk na het kloppen nog wat
balletjes op me te gooien in de kooi. In een boek van de KNCB , ‘Een eeuw
georganiseerd cricket in Nederland’ staan natuurlijk veel cijfers. In de lijst
van bowlers met de meeste keren 7 of meer wickets in een innings staat Hein
vermeld met 33 keer, waarvan 2x9 en 7x8. In 1927 en 19929 oogstte hij 93 wickets
in één seizoen! Ik meen te weten dat hij in vroeger jaren een snelle bowler is
geweest, maar in ‘mijn’ tijd was hij een zeer gevreesde leg spinner!. Niet
alleen ik heb veel van hem geleerd, ook veel leden van het jonge CrIC hebben
zijn waardevolle lessen genoten. Hein en zijn ouders zijn helaas in de
Hongerwinter overleden.
-----
We gaan even naar Haarlem. In 1941 vierde Rood en Wit het zestigjarig bestaan.
Ter opluistering van dat feit nodigde de oudste club, R&w, CrIC, de jongste,
uit. Ook Haarlem (thans Bloemendaal) werd uitgenodigd. We verloren beide
wedstrijden, maar sloegen lang geen gek figuur In een Haarlemse krant (op het de
Oprechte was, weet ik niet maar men deed oprecht verslag) stond een uitgebreid
verhaal van onze match tegen Rood en Wit. (Ik ben zo onbescheiden om te vermeden
dat ik een pluim kreeg voor mijn stijlvolle 25 runs.) Het is dus duidelijk,
zoals ik eerder meldde, dat er toen meer over cricket in de krant verscheen dan
thans. In die jaren kwam je met dubbele cijfers, zelfs 10, al in Cricket, het
blad van de NCB. De totalen waren in het algemeen toen bescheidener dan thans.
----
In 1949 was CrIC een club in opkomst in de zondagcompetitie. In 1947 was de
secretaris van ons jonge bestuur ook als secretaris van de ACB begonnen. In het
jaar ’49 heeft hij zich, met een groepje leeftijdgenoten, afgescheiden van CrIC
en de Meikevers opgericht. Dat groepje wilde met twee elftallen aan de
zondagcompetitie deelnemen. De rest van het bestuur besefte dat ons ledental te
klein was, aangezien je ’s zomers afzeggingen kon verwachten door de vakanties.
Hij moest aftreden bij de ACB en ik ben hem als secretaris opgevolgd.
Het toeval wilde dat ik op het kantoor waar ik kort na de oorlog heb gewerkt als
collega Hans Thon aantrof. Hij (HFCer en Rood en Witter) zat in het bestuur van
de Haarlemse Cricket Bond.
Van hem hoorde ik dat er jaarlijks werd gestreden om de Zilveren Bal tussen de
Amsterdamse en Haarlemse jeugd. Het was leuk om die elftallen te begeleiden.
Door Hans Thon en, mogelijk ook Marinus van der Eb, trad ik toe tot de
Propaganda Commissie van de toen nog NCB. Van der Eb heeft, op verzoek van
Tonino, het College bezocht, toen wij nog niet zo lang bezig waren, en enkele
Engelse filmpjes over cricket vertoond waarin testcricketers hun kunsten
vertoonden.
---
Ongeveer halverwege de jaren vijftig trad de voorzitter van de ACB af na zich
jaren voor vele sporten in Amsterdam te hebben ingezet. Ik volgde hem op. De ACB
vierde toen ook haar zestigjarig bestaan. Er werden drie feestwedstrijden op het
programma gezet: een juniorenwedstrijd Amsterdam-Haarlem, een tussen spelers van
de zaterdagmiddagcomtetities van Amsterdam en Den Haag, en een voor spelers van
de zondagscompetitie: Amsterdam-Rotterdam/Schiedam.
Dat was een succes. Het jaar daarop vierde de Rotterdamse Bond haar
vijfentwintigjarig bestaan.
Ik weet niet of er andere wedstrijden gespeeld zijn, maar de ACB kwam met de
zondagsspelers
uit tegen Rotterdam/Schiedam, bij welke gelegenheid ik heb voorgesteld er een
jaarlijkse ontmoeting van te maken. Omdat er afzeggingen kwamen heb ik enkele
wedstrijden meegespeeld als invaller, omdat ik uit hoofd van mijn functie toch
mee moest.
----
Tegen het eind van de jaren vijftig ging het langzamerhand slechter met de
zaterdagmiddagcompetitie. Andere sporten, makkelijker dan cricket, zoals
basketbal, kwamen op en er was niet voldoende aanwas uit het nageslacht van de
deelnemers van voor 1940. Een grote handicap bleken ook de zondagse wedstrijden
die, zeker bij verre uitwedstrijden, hele zondagen vergden. Men ging nog met
openbaar vervoer dat zich nog aan het herstellen was van de oorlog. Op zekere
zondag misten drie spelers de trein naar Deventer. Van UD mochten we, heel
vriendelijk, beginnen met batten. Na één uur arriveerden ze gelukkig, we hadden
gelukkig pas één wicket verloren.
Een even grote handicap voor cricket was zeker de liefde! Veel aankomende
cricketers zijn afgevallen omdat hun geliefden hen niet voor hele zondagen
wilden afstaan, of geen zin hadden de hele dag aan de boundary te vertoeven..
Het bracht mij er dan ook toe in de ACB voor te stellen de zaterdagcompetitie te
propageren. Cricketers die ook tegen de lange zondagen opzagen, om wat voor
reden dan ook, voelden misschien wel wat voor die competitie. Hoewel ik het zelf
niet lang heb meegemaakt (in 1959 vertrok ik vanwege een nieuwe baan en
verhuisde in 1960 naar Eindhoven) sloeg dat aan en zelfs VRA en ACC, die eerder,
voor zover ik mij herinner, niet in de zaterdagmiddagcompetitie uit kwamen,
gingen deelnemen. Gelukkig bleef de zaterdagmiddagcompetitie zo bestaan.
-----
De oorlog was in alle opzichten een ramp. Er werd nog wel normaal gecricket zo
lang het kon, maar de benodigdheden kwamen niet meer uit het buitenland. We
waren dus uiterst zuinig met bats, ballen e.d. en we hebben zelfs met witte
ballen gespeeld, hockeyballen, want die waren er nog wel. Waarom en wanneer
ertoe werd besloten weet ik niet meer, maar er werd ooit overgegaan op overs van
acht ballen.
Toen we na de oorlog weer materiaal beschikbaar kwam, poetste ik, na elke
wedstrijd, de ballen met witte was. Ze gingen echt langer mee.
Een vriend van mij, die ook kort in CrIC had gespeeld, uit een familie die niet
alleen uitstekend van hersens was voorzien, maar ook de handen kon roeren, heeft
met zijn vader een uitstekend blad gezet aan de nog goeie steel van een niet
meer bruikbaar bat. Daarmee is kort na de oorlog zelfs nog een century gescoord.
----
Ik verhuisde, zoals aangegeven, in 1960 naar Eindhoven .Ik was toen al
afgetreden bij de ACB en uit de Propaganda Commissie. Bij de laatste bijeenkomst
van die commissie waaraan ik deel nam, ten huize van de voorzitter, de heer R.G.
Ingelse - die toen ook zijn functie neerlegde – vroeg deze mij of ik al lid was
van SGS.. Ik was nog geen veertig, zei ik (maar 37). Dat maakte niets uit, hij
zou wel zorgen dat ik lid werd. Op dat ogenblik wist ik nog niet dat ik naar
Eindhoven zou gaan, maar wel dat ik uit Amsterdam zou vertrekken. Als ik lid was
van SGS zou ik in elk geval kunnen blijven cricketen. Pas toen ik echt veertig
was heb ik voor het eerst gespeeld in een onderlinge van 4 elftallen op VOC. Het
was mijn succesvolste optreden ooit bij SGS.. Molly Geertsema was toen nog
minster of lid van de Tweede Kamer en had daar nog vergaderd die ochtend, maar
deed mee!) Wegens regen begonnen we wat later.
----.
Als we in de Oude Doos rommelen komen we natuurlijk uit bij de DRAW. Die is er
nog wel, maar niet bij de matches van 40 of 50 overs. DE TIJD UITPRIKKEN was
echt iets uit het verleden van de van vaderlandse competitie. Het was destijds:
zes en een half uur speeltijd en de eindtijd werd bepaald bij het tossen. Als ik
mij niet vergis heette het ook: Regentijd is speeltijd! Het was een bijzonder
genoegen tegen een veel sterkere tegenstander nog een punt te veroveren hoewel
jouw totaal bij lange na niet in de buurt van dat van je tegenstander kwam. Hoe
spannend ook als je het totaal van de tegenpartij naderde…
Dat uitprikken is CrIC helaas niet gelukt in de enige wedstrijd waarin ik mijn
bat door de innings heb gedragen. Het was een regenachtige dag en ons batten
werd enkele malen kort onderbroken.
Met nog weinig overs te gaan kwamen onze laatste twee batsmen in. Nu had de
tegenpartij een goeie keeper en de (Engelse) coach van onze tegenpartij was
umpire op square leg. Hij was ofwel zo enthousiast over het stumpvermogen van de
wicketkeeper, ofwel tranende ogen van ingespannen kijken, dat zijn wijsvinger
prompt omhoog schoot bij appeals, ondanks de letterlijke standvastigheid in de
crease van de laatste batsmen.
----
Als je met cricketen begint wordt er toch doorgaans verteld dat uiterste
sportiviteit en bijbehorend gedrag onverbrekelijk bij cricket horen. Doorgaans
werd er destijds weinig tegen gezondigd. Het kostte soms moeite zonder tekenen
van verontwaardiging van het wicket te vertrekken, maar men trachtte met de
stiff upper lip de terugtocht te aanvaarden. Is dat niet wat minder geworden
tegenwoordig in de hoogste klassen?
Mij is het een keer zelfs met een glimlach gelukt. Ik werd namelijk ‘hit de ball
twice’ uit gegeven. Inderdaad had de bal even heel licht gestuiterd bij een
harde hit hoog en ver de lucht in. Onze umpire stak de vinger op want hij had de
stuiter ook gehoord. Op point bij de tegenstander kwam prompt een luid protest.
Die point bleek bondsumpire te zijn en hij legde uit dat de dubbele hit in één
zwaai gebeurd was. Zeer sportief gedrag want hij had kunnen zwijgen. Ik had op
dat ogenblik al bijna 40 runs! De bowler was zo teleurgesteld en geschokt dat
ik, om gezeur te voorkomen, naar de kant ben gegaan. Hst is toch wel heel
bijzonder om ‘hit the ball twice’ uit te gaan. Hoe velen hebben dat in hun
cricket-CV staan? .
-----
Iedere cricketer herinnert zich wel voorvallen die hem lang zullen bij blijven.
Zo trachtte ik eens een snelle korte run te lopen en rende naar het dode wicket.
De bal kwam ongeveer tegelijk met mij bij de bowler en ik werd uit gegeven. Ik
betwijfelde de beslissing, maar vertrok zonder morren. Na de strijd zat ik naast
een oude coryfee die mid on had gestaan naast het dode wicket. Onder het genot
van de pils vertelde hij mij vriendelijk dat ik not out was geweest: het wicket
was al licht beschadigd toen de bowler de ingooi ontving. Hij had dus een stump
moeten uitrukken. Ja, jammer voor jou, zei de coryfee.
-----
Heel anders verging het mij jaren ervoor. We speelden uit met een zwak elftal
tegen een sterkere tegenstander. Ik stond te umpiren aan het dode wicket toen de
laatste over begon. Onze
nummer 11 overleefde enkele ballen maar na een van de laatste voor het einde
klonk een luid appeal voor ‘been voor paaltje’ zoals het in Zuid-Afrika wordt
genoemd. Er was geen twijfel mogelijk en ik stak dus de vinger omhoog.
Nooit is er met meer verbazing naar mij gekeken dan vanaf dat moment totdat we
huiswaarts trokken. Uit hun reacties bleek dat ze mij voor gek hadden versleten
omdat ik niet ‘not out’ had geroepen.
-----
Een heel moedig blijk van sportiviteit vond plaats kort na de oorlog. Er lag een
Engelse eenheid in Amsterdam waartegen we hebben gespeeld als ook tegen een
eenheid uit het oosten van het land die toevallig had ontdekt dat er in
Amsterdam werd gecricket. In welke van de twee matches het is gebeurd weet ik
niet meer. Er stond een kapitein aan bat. De umpire aan het dode wicket was niet
zo hoog. Deze ongelukkige moest .het oordeel vellen toen de bal een
officiersbeen trof. Men zag hem aarzelen, maar toen klonk het oordeel: “Sorry
Sir, out.”
Wat deze wedstrijden vooral zo bijzonder maakte was het feit dat de Engelsen
bijzonder vrijgevig waren met hun Players en Navy Cut sigaretten.
---- .
Op zekere dag stond ik te bowlen op de captain van de tegenpartij. Ik riep
triomfantelijk: “How ’s that!” en prompt ging de hand van de umpire omhoog. Ik
was er echt zeker van dat de bal geraakt en in de handen van onze keeper beland
was. De umpire, van de tegenpartij, kennelijk ook.
Tot mijn verbazing kwamen mijn point en wicketkeeper protesteren: de batsman had
de bal echt niet geraakt. Zoals het hoort heb ik de umpire gevraagd of hij zijn
beslissing wilde herzien.
De umpire kon dat vriendelijke verzoek niet weigeren, De vijandelijke captain
was niet meer uit te krijgen en we verloren. Dat is de prijs van sportiviteit…
soms.
----
Een voorbeeld van sluwe onsportiviteit is mij jaren geleden verteld. De captain
van het team waarin ik speelde was een echte oude rot in het vak, uiterst slim
en gewiekst. Het verhaal gaat dat hij een enorme vuurpijl sloeg waarbij een bail
van het wicket viel. Terwijl iedereen keek of de verwachte vang werd gemaakt,
raapte de batsman snel de bail en plaatste die op het wicket. Tot afgrijzen van
de veldpartij werd de vang gemist. Rustig zette de batsman zijn innings voort!
----
Of het altijd waar was, weet ik niet, maar er waren destijds clubs die een
uitstekende bowler hadden altijd vergezeld van zijn eigen umpire. In sommige
gevallen kwam enig wantrouwen bij zeer velen op. Maar natuurlijk zal ik geen
namen noemen, het is trouwens al zo lang geleden.…
-----
Tot besluit het volgende. Ik weet niet of ik het al eens heb verteld, maar toen
destijds de Meikevers CrIC hadden verlaten, waren er slechts betrekkelijk weinig
senioren over en niet al te veel junioren. Ik dacht dat we het beste konden
stoppen met CrIC. Het College vroeg mi evenwel, tot mijn verbazing, door te gaan
met CrIC. Wij zouden op alle mogelijke manieren gesteund worden zowel door meer
junioren te werven als het ons financieel makkelijk te maken. Dit alles
vooropgesteld dat ik zou blijven. Natuurlijk besloot ik toen door te gaan.
Financieel ging het College zo ver dat wij per seizoen slechts f 10,- hoefden te
betalen. Had ik toen ‘Nee’ gezegd, CrIC zou in ’49 zijn gestorven… en het zou
nooit tot een Hippo en bijgevolg ook nooit tot een Hippo-SGS zijn gekomen!
Ben
Teeuwisse - 31-10-2011
----
Leuke reactie van Rob de Haas
Leuk stuk
van Ben Teeuwisse!
Hij schrijft o.a. over Hein van Wermerskerken, oud VVV speler. Laat hij nou mijn
peetoom zijn! Ik ben in 1943 geboren en Hein was een goede huisvriend van mijn
ouders (Harry en Lucy de Haas) en werd prompt tot mijn peetoom gemaakt. Helaas
heeft hij het einde van de oorlog niet gehaald. Uit verhalen hoorde ik, dat hij
niets te eten had in de hongerwinter. Hij liet daar niets van merken en was te
trots om hulp te vragen of aan te nemen. Zodoende heb ik hem nooit gekend. Van
mijn ouders heb ik wel begrepen dat Hein een groot cricketer was geweest. In het
jubileumboek 50-jaar VVV (1952) kom ik zijn naam veelvuldig tegen, vooral met
prima bowlingprestaties.
Dit soort
berichten geven je toch weer het goede cricketgevoel: ook mensen die 70 jaar
geleden een cricketverhaal hadden blijken ook nu nog niet vergeten te zijn en
zelfs in staat een oude band weer even op te halen!
Met
vriendelijke groeten,
Rob de Haas - 20.11.2011
|
|
Duco
Ohm schreef: Uit Thailand kregen wij een bijdrage van Jan Nefkens met de
opmerking dat bij hem, na een lange periode van 40° C. , weer hard was gaan
regenen. Veel actieve fraaie vogels in zijn tuin en een slang maakte van de
gelegenheid gebruik om van jas te wisselen. Een grote slang zoals op de foto
te zien is
(klik op de foto
om deze groot weer te geven).
Hier komt :
Uit de Oude Doos van Jan Nefkens
(10.03.2012)
Toen
ik dat eerste verhaal had gelezen in de rubriek “Oude doos” was ik vol
bewondering voor de schrijver, ene Ben Teeuwisse en ik dacht dat ik nog
nooit van die man had gehoord. Ik keek in het SGS boekje en vond zijn naam
daar en ik stuurde hem een email om hem te feliciteren met die mooie
bijdrage. Nadat Ben had uitgevonden dat ik bij Sparta was begonnen met
cricketen vroeg hij me of ik een heel goede vriend van hem had gekend t.w.
Hans Sonneveld. En toen opende het verleden zich heel langzaam want deze
Hans Sonneveld was een van een aantal spelers die van het cricket bij Sparta
een heel speciale en haast romantische aangelegenheid maakten.
Toen
ik als 12-jarige jongen bij Sparta mocht gaan voetballen had ik nog nooit
van cricket gehoord. En de groep jongens met wie ik daar begon en waar Tinus
Bosselaar en Andries van Dijk deel van uitmaakten ook niet. Ik was helemaal
geen groot voetballer maar toen we later, misschien een jaar of zo bij het
eerste mochten trainen, of misschien moet ik zeggen tegelijk met het eerste
mochten trainen werd dat anders. Want tegen het voorjaar gingen een paar van
die eerste elftal spelers trainen voor cricket.
Het
was in de tijd dat Sparta goed speelde met Landman en Terlouw. Hans Wenneker,
Arie van der Linde en Hans Sonneveld waren altijd heel trouw op die
trainingen aanwezig en later kwam Harrie Meeken daar bij. Het enthousiasme
waarmee die mensen trainden was zo aanstekelijk dat een deel van onze groep
werd overgehaald om te komen spelen. Het werd eerst juniorencricket. Hermes
DVS, Excelsior, VOC. Daarna invallen in het tweede en treinreizen naar
Voorburg, Roggewoning, Quick Hg. etc.
Cricket werd op Sparta gespeeld op het veld achter de eretribune. Het was
een klein veld maar zo mooi en zo special. Op Sparta waren twee broers
terreinknecht. Cor en Karel Pieterse. Voor hen was het cricketveld hun
visitekaartje. Hoe zij ieder jaar van een volkomen zwart-gespeeld veld een
prachtige groene oase wisten te verwezenlijken is nog steeds een
gesprekspunt.
Een
pitch moest natuurlijk ook worden gelegd, het scoreboard en de witte
boundery-borden geplaatst en dan zat je daar als team met supporters
(vrouwen en kinderen) en scorers in die mooie hoek met boompjes en bloemen.
Soms echter werd de stilte ruw verstoord als de toenmalige wicketkeeper Jan
van den Avoort een appèl losliet. Nooit nadien heb ik iemand zo hard horen
appelleren. En het appèl werd volledig uitgesproken, niet zoals je
tegenwoordig vaak hoort.
Kort
nadat ik lid was geworden emigreerde v.d. Avoort naar Afrika. Ik heb nooit
met hem gespeeld maar ik kan me zijn appèls nog herinneren alsof het vandaag
was. Onze captain was Roy Wilson die zeer geliefd was en ook altijd zijn
vrouw meebracht en die ons jongetjes altijd op ons gemak probeerde te
stellen. Wij spraken de spelers nog met meneer aan. Wij gingen wel altijd
trainen. Dat was geweldig behalve wanneer Harry Meeken ballen naar ons begon
te gooien om ons vangen te leren. Hij wilde ons alleen maar pijn doen leek
het wel.
Van
Hans Sonneveld herinner ik me nog dat zijn ballen altijd leken te snorren
Van Lou de Bruin kan ik me herinneren dat zijn ballen voorbij waren voor je
ze had kunnen slaan. Maar we waren natuurlijk nog maar klein. Jammer genoeg
heb ik heel weinig kunnen spelen daar ik van 1954-1960 in het buitenland
was. Maar wat te denken van onze lunches in het restaurant onder de
hoofdtribune. De mooie gedekte lange tafel. Of van het drankje in de
bestuurskamer na de wedstrijd. Ik heb na mijn terugkomst in 1960 nog een
paar wedstrijden voor Sparta gespeeld maar had toen al een baan die
regelmatig spelen of trainen onmogelijk maakte. Ik had toen een baan in
Amsterdam en ben naar ACC overgestapt.
Iemand die Sparta uit de jaren ’50 kende, kende ook Dr. Vuilsteke. Deze man
was altijd de belangrijke figuur als tegen SGS moest worden gespeeld. Sparta
was dan altijd zo goed als volledig met eerste elftal spellers en vooral Lou
Borrani wilde graag meedoen want bij SGS speelde Jan Offerman.
In de
wedstrijd waar Jan Offerman 175 n.o. maakte mocht ik invallen voor iemand
die niet kon komen. Een hele eer. Na afloop mocht ik mee om te gaan dineren
ergens op de Binnenweg denk ik me te herinneren. Ik weet nog zo goed dat Jan
Offerman me toen vertelde dat ik daar “Riz de veau” moest bestellen. Dat was
de beste schotel die ze daar hadden. Ik had er toen nog nooit van gehoord.
Ik heb geen enkel bewijs meer van die tijd, dacht ik. De termieten in India
hebben mijn bezittingen waarschijnlijk erg lekker gevonden. Maar na nog eens
door diverse albums te speuren vond ik nog een foto van Sparta 1960 waarop
ik wel maar Hans Sonneveld niet stond.
Jan
Nefkens
- 10 maart 2012
-------------------------------------------------------------------------------------
EP (Ernst-Pieter Knüpfer) reageerde op het
artikel van Jan Nefkens
Ha
Jan,
Ik
heb echt genoten van je stukje over Sparta. Mijn vader kon als geen ander
vertellen over de vroegere tijden en had een bijzonder goed geheugen. Dat
moeten inderdaad bijzondere en mooie tijden zijn geweest. Cricketen op het
veld naast het Kasteel en dat het feestelijke bijeen zijn na afloop. Vele
tegenstanders van Sparta houden daar nu nog mooie herinneringen aan over. Ik
heb als kleine jochie nog wel meegemaakt dat vaders op dat veld achter de
Eretribune moest voetballen met het tiende (dat voornamelijk uit cricketers
bestond) en dat vond ik toen al heel leuk. En dat we op het Kasteel, bij de
administratie, op maandagavond de Sparta weekly, het clubblaadje voor Sparta
cricket, maakten. Stencilavond noemden we dat.
Wij
zijn eigenlijk groot gebracht op het cricketveld en overal waar we kwamen
kende men de Knüpfertjes, zoals ik me kan herinneren Wim van Koten, die
kleine Sparta umpire ons altijd noemde. Wat dat betreft had Sparta best een
aantal goede umpires, Leen van Reeven, Hans Frenkel en genoemde Willem van
Koten. En iedereen noemde je Oom, al zeiden we dat natuurlijk niet tegen de
oude heer Rijnbende of de heer (Gerrit) Van Leeuwen, die zaten altijd keurig
in pak langs de lijn, of zoals bij het voetbal de heer Kleingeld. Van Roy
Wilson kregen we altijd een waterijsje. Bijzonder dat dat soort
herinneringen je bijblijven, want ik praat nu toch over de (tweede
helft)jaren '60. Goh, wat leuk eigenlijk om over die jeugdherinneringen te
mijmeren en wat jammer dat die tijd nooit meer terug zal komen. Na afloop
altijd een grote kring met de tegenstander en met de vrouwen van de spelers
erbij. Wat was die tijd gezellig.
Zelf
ben ik nog wel actief. Ik heb eerst bij Sparta nog een paar jaar in het
eerste gecricket en ben in 1985 naar ACC gekomen. Heb daar ruim
20
jaar in het eerste gespeeld en ook veel in de Zami (zaterdagmiddag).
Inmiddels sinds twee jaar uitsluitend nog Veteranen (2x kampioen), waar het
batten me nog bijzonder goed afgaat. Vorig jaar nog 1 wedstrijd in het
tweede gespeeld en toen maakte ik er toch ook nog 64, dus 't lukt me nog
wel. En ik ben al bijna 10 jaar secretaris van ACC en voor komend seizoen
ook manager van het eerste.
De
betrokkenheid bij het cricket is er dus zeker nog. En ook de banden met
Sparta zijn er uiteraard nog. Tot voor kort gingen we elk jaar nog op
crickettour met de Sparta Veteranen (Peter van der Burg, Leo de Jong, Aad
Spuy, Jaap van der Steen, Leo Hartog, Rene Pattinasarani om er een paar te
noemen). Nu is dat omgezet in af en toe een paar daagjes golfen en dat
bevalt eigenlijk ook heel goed.
Goed
Jan, geniet van je oude dag en blijf de verrichtingen van SGS en ACC volgen
via de websites.
Hartelijke groeten,
Ernst-Pieter - 15.03.2012 |
|
Vervolg op het verhaal over SPARTA
(14.03.2012)
EP (Knüpfer)
mailde als volgt
Ha
Duco, Mooi stuk op de SGS site van Jan Nefkens, dat me bekend in de oren
klinkt van de verhalen uit de overlevering. Echter, de naam Hans Solleveld
moet natuurlijk wel heel snel veranderd worden in Hans Sonneveld (red.:
hetgeen direct gedaan is), een technisch begaafd voetballer en dito
cricketer die in beide takken van sport jaren lang in het eerste elftal van
Sparta heeft gespeeld. Later ook een bekend bestuurslid, die furore maakte
als hoofd scouting bij Sparta en daarmee pionier was in Nederland. Misschien
is het aardig om aan Jan onderstaand stuk van Johan Derksen door te sturen,
met voor hem ongetwijfeld nog meer bekende en spraakmakende namen uit het
roemruchte Sparta verleden. Groet, EP
Duco
vroeg Ernst-Pieter Knüpfer of onderstaand artikel geplaatst mocht worden op
onze site, mede uit respect voor de oer Spartanen Arno Knüpfer, Harm Meeken,
Max Grondhout en Klaas Vervelde en een hommage aan Sparta, cricket en
voetbal.
Prompt een reactie van EP “Dat mag uiteraard. Hans Sonneveld is op 19
februari 2004 overleden, mijn vader op 10 augustus 2004. Klaas Vervelde,
Hans Wenneker en Floor Bouwer zijn voor zover mij bekend de enigen van de
echte oude Sparta garde die nog in leven zijn."
Hier
dan het vervolg op het Sparta (cricket) van Jan Nefkens maar nu van de hand
van Johan Derksen en toegespitst op Hans Sonneveld. Een kijkje achter de
schermen bij Sparta voetbal.
---------------------
Bijna
veertig jaar ervaring in het betaalde voetbal heeft me duidelijk gemaakt dat
ik ongelimiteerd kan luisteren naar mensen die zinnig over het spel en
eventuele randverschijnselen praten. Willem van Hanegem, Johan Cruijff, Co
Adriaanse, dokter Rein Strikwerda, George Knobel, Arend van der Wel, Wiel
Coerver, Gaston Sporre, Cor van der Gijp, Barry Hughes en Joop Brand kan ik
eindeloos aanhoren. Ook oer-Spartaan Hans Sonneveld hoorde daarbij.
Sonneveld was een onberispelijke heer van stand, every inch a gentleman.
Maar tevens een voetbaldier, een man die inhoudelijk heel goed over voetbal
kon praten, iemand met een duidelijke visie. Hij raakte er nooit over
uitgesproken, publiceerde diverse boeken en kon helemaal niet meer kapot
toen ik in zijn boek 50 Kasteeljaren over zijn scoutingbelevenissen las: ‘30
november 1975, rapport N23: Johnny Metgod, Haarlem. Rechtshalf, nummer 10.
Sterke jongen, degelijk, goede pass en overzicht. Niet briljant, erg jong.
Opvallende spelers: Rob de Kip, linksbuiten, redelijk goed, en Johan
Derksen, een behoorlijke linksback met goede linkertrap en vinnige tackle.’
Sonneveld ergerde zich altijd aan het gekrakeel van trainers die zelf nooit
hadden gevoetbald. Dat deed hij op zijn eigen ingetogen en beschaafde wijze.
‘Ik heb mijn hele voetbalcarrière in het eerste elftal van Sparta gespeeld,
altijd in de hoogste afdeling, maar ik heb geen trainersdiploma. Rob Baan
heeft even in het derde elftal van Sparta gespeeld, hij heeft wél een
trainersdiploma. Maar zou hij dan meer verstand van voetbal hebben dan ik?’
In de
herfst van 1945 speelde Sparta de eerste na-oorlogse competitiewedstrijd
tegen het Haarlem van sterspeler Kick Smit. De oorlog had voor Hans
Sonneveld de definitieve doorbraak als voetballer ietwat vertraagd, maar na
de bevrijding groeide hij in recordtempo uit tot een van de vedetten op Het
Kasteel. Sparta won met 2-0 van Haarlem, Sonneveld scoorde en dat leverde
hem een pakje Amerikaanse sigaretten op. Ondanks de overwinning toonde hij
veel respect voor zijn tegenstander. ‘Wat een voetballer, wat een clubman!
Kick Smit, de beste linksbinnen die ik ooit heb gezien. Hij kon alles,
koppen, schieten, passen en zwoegen. Alleen was hij volkomen eenbenig, links
als Ferenc Puskas.’
Sonneveld speelde op Het Kasteel met de legendarische Spartanen Piet
Verheul, Tonnie van Ede, Lou Benningshof, Koos Verbeek, Jaap van de Water,
Wim Landman, Rinus Terlouw, Tinus Bosselaar en Jacques Heyster.
Als
een van de weinigen voelde hij niets voor profvoetbal. Hij was te veel
Spartaan om geld te accepteren voor geleverde prestaties in het traditionele
rood-wit gestreepte shirt. In verband met zijn werk verhuisde Sonneveld in
het begin van de jaren vijftig naar Brabant.
Hij
trainde bij Eindhoven, maar bleef Sparta trouw, zelfs toen zijn geliefde
club in november 1954 beroepsvoetbal ging spelen. Sonneveld was er
principieel op tegen, maar had begrip voor het standpunt van voorzitter Jos
Coler, die de overstap noodzakelijk vond omdat betaling van voetballers niet
langer tegen te houden was. Steeds meer spelers vertrokken naar buitenlandse
profclubs en vooral in Brabant en Limburg werd al jaren grof betaald.
Sonneveld: ‘Mij interesseerde het helemaal niet. Iedereen moest maar doen
waar hij zin in had. Maar langzamerhand was ik er wel op gebrand om tegen
die zogenaamde profs te voetballen.
Al
die halleluja-verhalen over het niveau van de wilde profclubs, ik wilde
weleens zien of ze beter waren dan wij.’ Sonneveld speelde nog twee jaar als
amateur tussen de profs. Hij kwam nog uit voor het Nederlands amateurelftal,
op 18 maart 1956 tegen Frankrijk, en voor De Zwaluwen, tegen Middlesex
Wanderers. Sonneveld was nog even de gelouterde routinier tussen de jeugdige
talenten Hans de Koning en Piet de Vries, voordat hij in 1956 afscheid nam
als voetballer.
Vervolgens werd Sonneveld bestuurslid technische zaken en scout.
Sparta was in zijn tijd de eerste Nederlandse club die de waarde van
scouting inzag en Sonneveld was de eerste scout die internationaal
opereerde. Hij haalde de Spanjaard José Vidal van het grote Real Madrid naar
Spangen, evenals de Deense midvoor Ole Madsen, de Ier Johnny Crossan en
later Jørgen Kristensen, Janusz Kowalik en Willy Kreuz. Sonneveld zag Johan
Neeskens bij RCH schitteren, maar Ajax was hem voor, en hij slaagde er ook
niet in Jan Mulder naar Sparta te krijgen. ‘Op 1 maart 1963 ging ik naar
Coevorden, naar de wedstrijd tussen Germanicus en WVV om Jan Mulder te
bekijken. Hij deelde uitstekende passes uit, maar van zijn productiviteit
zag ik niet veel.
Zijn
techniek, balcontrole en koptechniek waren goed, hij was tweebenig, al nam
hij de vrije trappen en corners met zijn rechterbeen. Hij speelde veel
direct, maar ook met trucs. Ik was nog niet overtuigd, ik wilde hem nog een
paar keer aan het werk zien.
Vervolgens is trainer Bill Thompson hem drie keer gaan bekijken. Hij vond
Jan Mulder volkomen ongeschikt voor Sparta. Toch ging ik op 16 december 1964
met de trein naar Leeuwarden om hem in het Nederlands amateurelftal aan het
werk te zien. Daar ontdekte ik Jacques Roggeveen van CVV. Jan Mulder was
echter het grootste talent. Anderlecht loste het confict tussen de trainer
en mij op door Jan Mulder te contracteren.’ Vervolgens wist Sonneveld wel
Emmen-keeper Jan van Beveren vast te leggen.
In
Limburg ontdekte Sonneveld de jeugdige Willy Dullens, maar de eigenwijze
Bill Thompson gaf de voorkeur aan Jan Klijnjan van DFC, terwijl de bij OSV
gescoute Rob Rensenbrink voor DWS koos. Op 9 december 1973 viel het oog van
Sonneveld bij het Duitse Wattenscheid op middenvelder Hannes Bongartz. ‘Hij
was volgens mij een mix van Piet Keizer en Günter Netzer. Op 3 februari 1974
ontdekte ik Manfred Burgsmüller; tweebenig, redelijk snel en technisch goed.
Die jongens konden we echter vergeten, want tegen de Duitse handgelden was
Sparta niet opgewassen. Dat hadden we eerder al meegemaakt toen we een paar
Denen wilden aantrekken. Toch bleef ik zoeken. In Aken zag ik Kalle Del’Haye,
een rechterspits, maar ook hij was al te duur.’
Sparta verplaatste de aandacht naar Engeland. Sonneveld ging praten met zijn
Engelse contacten en kwam terug in Rotterdam met drie namen:
Terry
Lees, Ray Clarke en Tony Woodcock. Nadat Lees en Clarke een contract
tekenden, wilde het Sparta-bestuur geen derde Engelse speler.
Maar
uitgerekend Woodcock zou later international worden. Stuart Parker van
Blackpool was een miskoop, maar Trevor Whymark functioneerde uitstekend bij
Sparta. De volgende Engelsman moest Alan Ainscow worden, maar trainer Mircea
Petescu kwam met een andere naam.
Hij
wilde Louis van Gaal. Sonneveld: ‘Ik heb hem een keer bekeken. Hij was
technisch goed, had voldoende ervaring, maar hij was wat langzaam voor een
aanvallende middenvelder.’
Hans
Sonneveld kon boeiend vertellen over zijn avonturen langs de velden. De
speurtocht naar talentvolle voetballers voor zijn grote liefde Sparta was
zijn levenswerk, zijn obsessie. Hij speelde voetbal en cricket op topniveau,
was beleidsbepaler en scout. En amateur in hart en nieren. Hij was op zijn
plaats bij het ietwat elitaire Sparta, tussen de intussen gedateerde
klassieke bobo’s op het ereterras. Hij overleed op tachtigjarige leeftijd.
Johan
Derksen |
|
VVV
in de vijftiger jaren - een verhaal van Rob de Haas
In
zijn artikelen in de rubriek UIT DE OUDE DOOS heeft Ben Teeuwisse al
diverse herinneringen en anekdotes over V.V.V. opgehaald.
Aangezien V.V.V. een dominante rol in mijn jeugd heeft gespeeld, ben ik eens
in mijn herinneringen en archief gedoken en doe ik hier verslag van.
Ik beschik niet over een compleet archief met wedstrijduitslagen, scores
e.d.. Onderstaand relaas is dan ook niet meer dan een beschrijving van de
club in die tijd, door mijn ogen. Het geeft wellicht toch aardig de sfeer
van deze echte familieclub weer.
Met
dank aan Lex Bouwes, Bas de Gaay Fortman , Hans Dukker en mijn zus Edith
voor de correcties en
aanvullingen!
Een paar eerste reacties:
Lex Bouwes: Tjonge, dat begint al aardig op een boek te lijken! Leuk voor
VVVers en hopelijk ook voor anderen die toch iets herkennen.
Bas de Gaay Fortman: Een mooi stukje geschiedenis.
Hans Dukker: Bij het lezen van je “verslag” komen er ook bij mij vele
herinneringen naar boven.
Voor
het complete , geïllustreerde verhaal:
open het pdf-bestand HIER.
Rob
de Haas, 6 februari 2012 |
|
Verhalen uit de
oude doos van Ton Balk
(januari 2012)
Mijn
vader werd omstreeks 1910 lid van A.F.C.. De dochtervereniging A.C.C. werd in
1921 opgericht, ik in 1927.
Een en ander leidde er toe dat ik vóór en in de oorlog regelmatig met mijn vader
op de zondagen op de sportvelden aan de Zuidelijke Wandelweg aanwezig was. A.C.C.
speelde ’s zomers op het “Tweede Veld” van de voetbalclub. Achter het derde veld
stond aanvankelijk de cricketkooi waar ik de cracks van A.C.C. kon zien oefenen.
Mannen als vader en zoon Piet Sanders, de topvoetballer en cricket allrounder
Charles Lungen, Dick de Baare, Wally van Weelde, Lou van Kranendonk, de broers
Immig en Prent, Willem Staats en nog een heleboel anderen. Dat alles onder het
toeziend oog van terreinknecht Dirk en zijn altijd lawaai makend werkpaard, die
samen de terreinen in orde moesten houden.
Dat was vaak moeilijk in de maand mei. De voetballers en cricketers wilden dan
tegelijkertijd het Tweede Veld bezetten en bovendien moest in het voorjaar het
dikwijls afgetrapte, voor een deel zwart geworden veld worden omgetoverd tot een
aanvaardbare cricketground. Maar gelukkig konden wij het veld van de Twentse
Bank gebruiken als reserveveld.
In 1941
werd ik lid van A.C.C..
Eerder was ik al als scorer bezig. De toenmalige gezaghebbende voorzitter van de
N.D.C.B. (Nederlandsche Dames Cricket Bond), mevrouw Sabelson, had mij niet
zonder bijbedoelingen vertrouwd gemaakt met de geheimen van het scoringboek.
Ook had ik toen al een verleden in de cricketstad Schiedam door logeerpartijen
bij mijn neef Victor. We speelden daar cricket met tennisballen en zelfgemaakte
bats met jongens uit de buurt op door de crisisjaren ongebruikt gebleven
bouwterreintjes. Hoogtepunten waren natuurlijk de bezoeken van wedstrijden op
het toenmalige veld van Hermes D.V.S. Er werd daar vanwege de geringe omvang van
het veld van één kant gebowled en de zessen vlogen nog al eens hoog tegen de
gevels van de huizen van de Damlaan.
In de
oorlogsjaren waren er voor mij verschillende mogelijkheden om te cricketen. De
eerste was natuurlijk het juniorenteam op woensdagmiddag. Alle leeftijden tot 18
jaar bij elkaar. Ik speelde toen met de broers Van Weelde, Schatens, Van der
Hurk, met Pierre Eskes, Hans Schooneveldt, George Zeegers, Herbert Kuyper, Wim
Feldmann, Fred van Soomeren en vele anderen. Onze belangrijkste concurrent was
meestal Cr.I.C. met o.a. Ben Teeuwisse, Ad Kooyman, Ton Santen, Bert van der
Heijden, Fons Pelser, Lou van Adrichem, Frans van der Liet, Piet van Outersterp,
Berry Nooy, Ton de Haan, de gebroeders Schoordijk en Klinkhamer, enz.
Samengevat: altijd spannende wedstrijden! Hoogtepunten van het jaar waren de
toen ook al plaats vindende Flamingo Juniores toernooien. A.C.C. was daarbij
steeds van de partij.
De Amsterdamse Cricket Bond organiseerde voor de zaterdagmiddagen een competitie
waaraan behalve teams van V.R.A., V.V.V., Cr.I.C. en A.C.C. z.g.
kantoorelftallen meededen. Ik herinner me de teams Amsterda ( Amsterdamse Bank
), Robaver ( Rotterdamse Bank ), Deneba ( Nederlandse Bank ), Twentse Bank,
Nehamij ( Nederlandse Handel Maatschappij ), K.N.S.M., Rood Zwart ( Gemeente
Amsterdam ) en P.S.Z. ( Personeel Sociale Zaken ).
Bij A.C.C. werd het elftal het “Heerenteam” genoemd. Het stond geruime tijd
onder leiding van Mr. Fred Sabelson ( tevens onze voorzitter ). Meestal kwam een
aantal Heeren niet opdagen. Dan stonden altijd juniores klaar om in te vallen.
En als dat niet lukte kon je vaak ook wel bij de tegenpartij invallen. Een
bijzondere cricketcompetitie voor “amateurs” . De A.C.C.-wedstrijden werden
meestal op uitvoerige en originele manier beschreven in de voortreffelijke “A.C.C.-pitch”
( redacteur Mr. Arnold Eysvogel ). De auteur onder de naam “Arend” was jarenlang
medespeler Arie Waayer.
Ook voor de zondagen gold dat je als junior-speler dikwijls op het laatste
moment een invallersplaats kon innemen. Als je wilde was het dus wel mogelijk om
drie maal per week te cricketen!
Intussen
was het eerste elftal van A.C.C. na een kampioenschap in de Overgangsklasse in
1939 gepromoveerd naar de hoogste cricketafdeling. In 1940 volgde opnieuw een
kampioenschap, ditmaal van een in verband met de oorlogsomstandigheden
georganiseerde “noodcompetitie”. Ik herinner me wedstrijden in dat jaar met
topprestaties van de bowlers vader Piet Sanders ( spinnende legbreaks
afgewisseld met pittige offbraeks ) en zoon Piet Sanders ( constante fastbowler
op of net buiten de off stump – met minstens 4 man in de slips natuurlijk ).
Dikwijls bowlden zij unchanged. Dat mocht toen nog. Mede daardoor waren de
totalen aanzienlijk lager dan nu. Een overwinning “met innings” was toen ook nog
regelmatig aan de orde. Andere tijden dus.
Een lange periode van topprestaties van het sterke A.C.C.1 was toen aan de gang.
Minder sterke spelers als Ton Balk moesten het zoeken in het tweede of derde
elftal. Dat gebeurde overigens met veel plezier. Ik speelde onder captains als
Lou Woudstra Sr., Piet Sanders Sr., Dick Disselkoen, Piet Nauta, Dick Van Gemen
en Jan Hendriks. Later volgde voor mij A.C.C.4 waar ik gedurende 15 jaar captain
mocht zijn van het z.g. opleidingselftal. De formule daarvan was 3 of 4 ouderen
met 7 of 8 jongens “in opleiding”. Tot de ouderen behoorden o.a. Harry
Scheepstra, Pim Schatens, Karel Prior, Ton de Haan, Ernst Offerman en Max de
Bruin Sr..
Om
volledig te zijn over mijn cricketverleden moet ik nog melding maken van de
wedstrijdenseries ( kort na de oorlog ) van teams van studenten van de
verschillende universiteiten. Het Amsterdamse studententeam stond onder leiding
van Harry Peschar. Ik mocht als jongerejaars de secretarisfunctie van het team
vervullen. Ook speelde ik in die tijd wedstrijden in het touringteam “The
Grubbers”. Voornamelijk leden van Kampong deden daar aan mee. Ik denk aan de
broers De Waard ( 3x ), Van Esveld ( 2x ), Hardebol ( 2x ), Henk de Ruiter,
Frank Kramer en Loet Clarenburg. Wij reisden in die tijd verschillende keren
helemaal naar Tilburg, Breda, Nijmegen, Arnhem, Deventer en Enschede.
Buitenlandse trips waren toen nog niet aan bod.
Op mijn 50ste stopte ik als actief cricketer. Daarvoor in de plaats: umpiren en
kijken naar de prestaties van de zonen Roelof en Jan, dikwijls zorgvuldig
geregistreerd door scoorster dochter Marleen.
Van groot
belang voor een “loopbaan” als cricketer zijn natuurlijk degenen die het
organisatorisch mogelijk maken.
Bij A.C.C. speelde op dat vlak vanaf de jaren ’30 lange tijd Willem Staats een
belangrijke rol. Vooral in de oorlogsjaren -- geen invoer van materiaal uit
Engeland - moest bijvoorbeeld veel worden gedaan aan reparatie van bats,
legguards, handschoenen, enz. . Dat gebeurde in de wintermaanden in zijn
etablissement op het Rembrandtplein, waar al het cricketmateriaal in een fraaie
ruimte op één hoog met uitzicht op het toen rustige plein was opgeslagen. Wij
werden als jongens ingeschakeld om hem daarbij te helpen. Wellicht in relatie
met mijn ervaringen daarmee werd ik in 1948 als commissaris van materiaal in het
bestuur van A.C.C. opgenomen. Dat duurde maar één jaar. Militaire dienst maakte
er een einde aan.
Ook mocht ik in die tijd secretaris Eysvogel in het bij hem thuis –
Valeriusstraat 6 – gevestigde advocatenkantoor helpen bij het noteren van de
jaarprestaties van de elftallen. In een groot boek werd alles met de hand
genoteerd. En daarna de gemiddelden uitrekenen!
Heel wat
jaren later, het was inmiddels 1988, werd me gevraagd om penningmeester te
worden van de K.N.C.B.. Dat had kennelijk te maken met het feit dat ik toen mijn
werk in een aanverwant beroep net had afgerond. Het werd voor mij na een
moeilijk begin met “lijken in de kast” een uiterst plezierige aangelegenheid in
een bijzonder professioneel werkend bestuur onder leiding van Steven van
Hoogstraten. Ook de contacten met de Financiële Commissie van de K.N.C.B. onder
leiding van Harry Peschar heb ik erg positief gevonden.
Een belangrijk evenement in die jaren was het organiseren van het I.C.C.-toernooi
in Nederland met veel landenteams. Dat liep, ondanks nog al wat trammelant met
het I.C.C.-bestuur, uitstekend, vooral dankzij de “projectleider” van dat
toernooi, Jan Wilts. Tijdens het slotdiner in de Pieterskerk in Leiden deed zich
een probleempje voor. Doordat verschillende deelnemers met twee maaltijden aan
de haal gingen bleken de laatste tafels het zonder te moeten stellen. Het kostte
de nodige moeite om een aanvaarbare oplossing te vinden!
In 1993 kwam er een einde aan mijn penningmeesterschap. Door problemen met de
opvolging werd ik in 1994 gevraagd opnieuw penningmeester te worden. Ik heb dat
toen niet gedaan maar ik heb wel nog weer vijf jaar het financiële werk van het
bestuur gedaan. Dat was dankzij de hulp van Alex de la Mar en Tecla Wilts,
ondanks de toenemende bureaucratisering in de subsidieregelgeving door NOC/NSF
en het desbetreffende ministerie, opnieuw een plezierige aangelegenheid.
Ton Balk,
januari 2012
|
|
Uit de fotodoos van Ernst Offerman
(15.03.2012)
Toen ik Ernst vroeg of hij soms foto’s had bij het
verhaal over de Offermannen in Limburg gingen Ernst en Emilie voor mij zoeken en
er kwamen wat interessante zaken te voorschijn…….
51 jaar geleden……
21 juni 1960 op VOC ; 22 SGS-ers
eren Jan Offerman die trots in het midden staat.
Op die dag bestond zijn record batten (240 not out) 25 jaar en was hij tevens 50
jaar actief cricketer.
Hieronder de foto van die
bijzondere dag.
Om zijn grote en complete bijdrage met veel
foto's te zien,
klik dan
HIER.
Het
pdf-document zal dan openen.
Klik op de foto en deze wordt groot geopend waardoor
alle details zichtbaar worden.
Staand
v.l.n.r.: 1. Hans van Everdingen (vrz. VOC), 2. I. van Herwaarden. 3. C.A.
Lobry de Bruyn, 4.???, 5. Joop Uiterwaal
,
6. A.F.H. Lobry de Bryun,
7.
Dolf v.d.Ende, 8. Jan
Offerman, 9. F. Konert ??, 10. Aad Roos,
11. Met
pet ??, 12. Piet van der Wolf,
13. Guust Nolet, 14. Jopie de Bruin,
15.H.Th.
Chabot,
16. Frans Kramer Sr., 17. J.A. van Santwijk,
18. ??? , 19. G. Kappelhoff,
20. Roel Senus,
Zittend
v.l.n.r.:
21. Piet Freni,
22
Jaap Lantinga,
23. Gerrie Stallman, 24. Frits
Meijer
Als u een naam weet bij een geel vlakje c.q. een naam kunt
bevestigen hoort Maarten Ingelse dat graag van u.
|
|
Geni Pino, een
markant lid uit de zeventiger jaren”
(1612.2011)
De
oudere SGS-ers zullen zich, net als ik, deze speciale man nog wel herinneren.
Altijd dominant aanwezig bij de SGS wedstrijden en altijd met een stralende lach
en een goed humeur. Via Willy van Nierop kreeg ik de afscheidsspeech van de
dochter van Eti Pala, bij het overlijden van Geni, in handen en meen dat die in
onze rubriek “Verhalen uit de Oude Doos” past.
“Wij zijn reizigers op de oneindige
rivier van het leven.
Geni heeft een boeiend en vol leven geleid. Een
aantal punten: sport, reizen, de lions, een jenevertje op zijn tijd en altijd
humor. Hij heeft veel van zijn leven gemaakt en is vrijwel tot het laatst actief
geweest. ‘I did it my way’ was op Geni in het bijzonder van toepassing. Een man
met karakter die niet altijd gemakkelijk was voor zichzelf en soms ook niet voor
zijn omgeving. Hij wist wat hij wilde en stond daarvoor.
Geni heb ik leren kennen toen hij nog met Pop
getrouwd was. Zij heeft hem, veel te jong, verlaten. Het was een gelukkig
huwelijk en hij is haar nooit vergeten.
Hij was de levensgezel van mijn moeder, een vriendin die hij al langer kende. Ze
hadden eigenlijk een LAT relatie avant la lettre. Samen reisden ze veel, traden
op, hij goochelend en zij zingend, ze gingen uit, en uit eten, deelden elkaars
leven en hadden vooral veel plezier met elkaar.
Als ik aan Geni denk, denk ik aan een clown in de
piste van het wereld circus. Reizend, zich overal ter wereld thuis voelend, met
veel gevarieerd publiek. Zelf had hij geen kinderen maar kleine kinderen vonden
hem leuk, vooral als hij spelden uit hun hoofd toverde of kaarten uit de mouw
van zijn jas. Volwassenen waren graag in zijn omgeving vanwege zijn enorm gevoel
voor humor en zijn optimistische levensinstelling.
De wereld om hem heen veranderde. Vrienden vielen
weg, bekende plekjes veranderden, de mentaliteit van de mensen was niet meer
zoals vroeger. Zelf zei hij vaak dat de wereld steeds minder de zijne was en dat
hij er zich steeds minder in thuis voelde.
Het is jammer dat hij niet heeft kunnen genieten van
zijn flat in Bilthoven. Hij voelde er zich nog lang niet thuis na jaren in
Utrecht gewoond te hebben. Het gewenningsproces is echter abrupt onderbroken
door zijn ziekbed en overlijden.“
Geni Pino speelde tussen 1960 en 1980 ruim 200
wedstrijden en was een echte all-rounder:
hij scoorde 3065 runs met als hoogste score 77* , bowlde bijna 600 overs en nam
107 wickets voor 1958 runs; als fielder hield hij 82 vangen vast.
Pino was een lid, dat ik niet snel kan vergeten.
Duco Ohm - 16.12.2011
|
|
40 jaar
cricket in Limburg ; 1930 – 1970 door Theo Offerman
(26.11.2011)
Pierre
Offerman Sr., oud Hermes-D.V.S.-er, verhuisde rond 1925 naar Venlo. Hij kwam bij
bezoeken aan Hotel Germania in contact met een vriendenclub van Venlose
zakenlieden, bestuursleden en oud voetballers van de Venlose Voetbal Vereniging
V.V.V., destijds 2e klasse K.N.V.B.
Door zijn
enthousiasme wist hij hen te interesseren in cricket. Zo vertelde hij hoe Jan
Offerman, zijn broer, de zessen door de ruiten sloeg en hoe hij met zijn broers
Jan, Frans, Harry en Tonny hele dagen op het cricketveld van Hermes D.V.S.
doorbracht. Na zijn vertrek uit Schiedam was hij in Utrecht bij U.V.V. en
Kampong door blijven cricketen. Het resulteerde in ieder geval hierin dat men
rond 1930 in Venlo met cricket begon op “De Kraal”, een complex waarvan eigenaar
van der Weijden naast een paar sportvelden er ook een kippenkraal op na hield.
De
terreinen waren verhuurd aan V.V.V. Er moest op het tweede veld van V.V.V.
gecricket worden omdat midden op het eerste veld geen pitch gegraven mocht
worden. Tot ongeveer 1935 werd op dat tweede veld gespeeld. Dit terrein was aan
twee zijden omringd door rabarbervelden, zodat de bounderies uit die
rabarbervelden gezocht moesten worden. (lost ball).
In die
beginjaren kwam meerdere malen een touringteam van de Flamingo’s naar Venlo om
in het Zuiden propaganda voor cricket te maken. Later volgden meer kamperende
zomer-elftallen van de Oehoe’s uit Haarlem onder leiding van Drs. Kleefstra.
De
Venlose Cricketclub speelde onder de naam V.C.C. in de 2e klasse Oost van de
Nederlandse Cricketbond, ingedeeld in e4e afdeling met H.T.C.C., Eindhoven,
Tilburg, C.C.A. Arnhem (met Dr. Van Erp Taalman Kip), Quick 2 uit Nijmegen,
Cricketclub Nijmegen onder Pater Tonino van het St. Canisiuscollege, U.D. 2 uit
Deventer en P.W. 2 uit Enschede.
In die
eerste jaren waren de voornaamste spelers van V.C.C.: Pierre Offerman Sr.
captain en bowler, Matthieu en Leo van Gasselt, Wim Klarenbeek bowler, Hoebie
Tax voetballer V.V.V. , Flip Tichelman wicketkeeper en dansleraar, Matthieu van
Grinsven fastbowler en Theo Buskes die zo’n beetje de financier van de club was.
Vanaf
ongeveer 1936 mocht op het hoofdveld van V.V.V. gecricket worden maar dat duurde
niet lang, misschien twee jaar, want na 1938 kwam onder druk van de dreigende
oorlogsomstandigheden, (Chamberlain naar Munchen en grenswacht mobilisatie) het
cricket bij V.V.V. stil te liggen, het cricketveld lag n.l. direct aan de Duitse
grens bij Kaldenkirchen.
Toch nog
in 1938 werd het cricket weer opgenomen door de opkomende jeugd, die veelal
hockey speelde bij de Venlose Katholieke Hockeyclub V.K.H., waarvan zoon Pierre
Jr. secretaris was. De cricketmat en -kist werden opgehaald bi “De Kraal” en er
werd een pitch gegraven op het hockeyveld van V.K.H. aan de Onderste Molen”. Het
typische van dit veld was de vrij dichte ligging bij zandafgravingen en een
behoorlijke zandheuvel aan een lange zijde. Dit intrigeerde onze gasten,
omdat iedereen er een bal op dacht te kunnen slaan, hetgeen zelden of nooit
lukte.
Een
voordeel van dit terrein aan “De Onderste Molen” was dat er een mooi restaurant
en zwembad bij lag, wat gezellig was bij ontvangst van gasten. (en voor de 3e
innings!). Er bleef gespeeld worden onder naam Venlose Cricket club V.C.C.in de
2e klasse Oost van de N.C.B.. Evenals op “De Kraal” werd ook hier een oefenkooi
opgebouwd uit verschillende dennenstammetjes met daartussen kippengaas.
Het verjongde cricketteam bestond hoofdzakelijk uit onze oude crack Pierre
Offerman sr., captain en bowler, Theo en Hans Offerman eveneens break-bowlers en
Jac Rijven, Hammie Donnee en Emile Linssen als behoorlijke fast-bowlers, Michel
Reijntjes en als gelegenheidsspelers Paul, Pierre en Joop Offerman, de “staart
”werd meestal gevormd door één of meerdere hockeyers.
Bij het
uitbreken van de Tweede Wereldoorlog (1940-1945), kwam het cricket in Venlo op
een laag pitje te staan, mede ook onder invloed van het feit dat Theo Offerman,
secretaris van de Cricketclub. In 1941 zijn studie Frans aan de Universiteit van
Amsterdam ging vervolgen.
Theo zelf
had in Amsterdam het geluk dat hij via de Heer Scheepstra, die hij in Venlo bij
een wedstrijd
tegen de Flamingo’s had ontmoet, bij A.C.C. aan de Zuidelijke Wandelweg in het
derde team kon spelen. Dit eindigde in 1943 toen hij als student door de Grüne
Polizei werd opgepakt en naar het concentratiekamp in Vught werd overgebracht.
Inmiddels lag het cricket in Limburg geheel stil.
Rond 1950
staken enige oud hockey-cricketers de koppen weer bij elkaar, waaronder Emile
Linssen,
wiens broer secretaris was van de andere hockeyclub in Venlo, de Venlose Hockey
Club V.H.C.
Deze boekte in die jaren grote successen in de 1e klasse van de Nederlandse
Hockeybond met de gebroeders Willy, Hans en Piet Nefkens, en werden zelfs
kampioen van Nederland.
De
leiding van V.H.C. voelde er veel voor het prestigieuze cricket onder haar
vaandel te krijgen, en zo bloeide het cricket voor de derde maal op in Venlo,
maar nu aan de andere kant van de stad op de Heringerberh, ook aan de Duitse
grens. Bij V.H.C. hadden wij het geluk dat een vaste pitch aangelegd kon worden
tussen twee hockeyvelden. Gedurende een jaar of twee speelden wij de
cricketcompetitie wederom in de 2e klasse Oost.
In 1955
kreeg Theo Offerman een betrekking bij de Studiecommissie van de Nederlandse
Antillen in den Haag. Wel wipte hij af en toe even over om een cricketwedstrijd
met V.C.C. mee te spelen, maar toen Theo in 1957 via Jan Heiligers bij de
Roggewoning in Wassenaar terecht kwam, hield dit ook op en stierf het cricket in
Venlo langzaam uit.
Tot 1961
speelde Theo bij de Roggewoning . In dat jaar leerde hij in Maastricht een
meisje Ange Baeten kennen, waarmee hij trouwde en in Heerlen ging wonen. In 1963
werd hij Directeur van de Stichting Studiefonds Limburg in Maastricht.
In 1967 las hij op zekere dag in het Limburgs Dagblad, dat de Heerlense Hockey
Club een Cricketafdeling ging oprichten onder instigatie van Engelse cricketers
die bij Afcent in Brunssum gelegerd waren.
Theo nam
onmiddellijk contact op want het oude cricketbloed roerde zich weer. Het bleek
dat het initiatief voor cricket bij de Heerlense Hockey Club was uitgegaan van
de Heer Duijf, die Theo regelmatig ontmoet had bij de Arnhemse Cricketclub C.C.A.
onder Dr. Van Erp Taalman Kip, die nu als tandarts in Heerlen gevestigd was.
Duijf was
een vinnige off-break bowler. Met twee enthousiaste Engelse cricketers van
Afcent, waarvan er één een goede fast-bowler was, Theo als leg-breakbowler en
een staart van hockeyers was spoedig een cricketafdeling gevormd. Memorabel uit
de Heerlense tijd was een wedstrijd tegen een volledig Engels Afcent-elftal uit
Brussel. Toen Afcent uit Brussum vertrok was het helaas gauw met cricket in
Heerlen en in Limburg gedaan; het was toen ongeveer 1970.
Het is
nog interessant te vermelden dat wijzelf bij het cricket in Limburg veel
genoegen hebben beleefd net het door oud Hermescrack jan Offerman in 1960
geschreven werkje “Productiever en aantrekkelijker Cricket, met runs in korte
tijd, 50 jaar actief cricket 1910-1960”, met aanvullingen van Manus Stolk en
Wally van Weelde.
Verder is ook vermeldenswaard dat oom Jan Offerman vanuit Den Haag in 1947 een
cricketmatch organiseerde tussen U.V.V. Utrecht en het Offerman-elftal, waarin
wij overigens twee niet-Offermannen van V.C.C. Venlo hadden binnengesmokkeld en
waarin als Hermes veteranen meespeelden: Oom Jan als captain, Oom Frans, Oom
Harry, Oom Tonny en vader Pierre.
Niettegenstaande de inzet van een crack als Jan Offerman bleef de score
bedroevend lag. Wij zaten voor naar ik meen 40 armoedige runs aan de kant. Dit
nam niet weg dat Oom Jan over de wedstrijd tegen U.V.V. toch via een der
Hilversumse omroepen een radio verslag wist te regelen.
Theo
Offerman, Maastricht 1997 (26.11.2011)
Naschrift van Leo Heinsbroek:
De hierboven genoemde Manus Stolk, die ik wel eens in onze parochiekerk in
Schiedam ontmoette, is vorig jaar overleden, na enkele jaren als
Alzheimer-patiënt verpleegd te zijn geweest.
|
|